Boorn & Boerschop 2016-01: De familie Spanjaard en het Bornse volk

Auteur: Jaap Grootenboer

Het was in de laatste jaren van de achttiende eeuw geen prettig leven in Borne. In 1797 bedroeg het aantal onvermogenden 62,8% van de bevolking en woonden in “hutten, huizen van elzenhout. In schoppen en schuren, stookhutten en schapenkotten”. Het mag dan later een beetje beter geworden zijn, maar een vette boterham zat er niet aan. De Joodse man uit Remagen, die vandaar uit naar Nederland trok en via Zwolle in Borne belandde, was ook niet rijk. De man handelde in allerlei rommelarij. Maar hij vond tenminste een aantal Joodse gezinnen, waar hij zich thuis voelde. Een paar aan de weg naar Almelo en één gezin zelfs in het dorp zelf. Aan de Joodenstraat, zoals de Brinkstraat in 1764 heette. Salomon, de zoon van Jacob trof de familie Van Gelder aan. Van Gelder had een mooie dochter: Sara heette ze en Salomon viel op Saartje en zij scholen onder het baldakijn en zo trouwden ze met elkaar op 11 april 1811.

Salomon en de eerste ontmoetingen

Salomon, die in 1812 de achternaam Spanjaard had aangenomen vestigde zich in Borne bij zijn schoonvader aanvankelijk en specialiseerde zich in de handel van geweven stoffen. Het spinnen en weven werd overgelaten aan de vaak arme arbeiders en van hen nam hij de geweven doeken af. Hij drijft handel in de directe omgeving, maar ook bijvoorbeeld in Amsterdam en handel. Dat ook dat handelen moeizaam gaat, blijkt wel uit zijn brieven aan zijn Saartje. Maar hij werkt hard en leeft zuinig. Zijn bedrijf groeit goed. In 1832 heeft hij al een aandelenkapitaal van f 17.000,=. Hij koopt huizen in het dorp. Zelf gaat hij met zijn gezin wonen in het centrum van het oude dorp en zal daar ook blijven wonen. Twee zonen komen ook in zijn bedrijf: Jacob Salomon en Levie Salomon. Jacob koopt het huis aan de Grotestraat, tegenover de Abraham ten Catestraat. We zien hem tevreden voor zijn huis zitten met de pet op en de pantoffels aan.

De industrialisatie

In 1865 wordt er een stoomtrein geopend, die loopt van Almelo naar Salzbergen. Aan die spoorlijn vestigen de Spanjaards hun eigen stoomfabriek. Arbeiders kunnen bij hen komen werken. Niet al te veel loon, maar wel een vast inkomen. Maar bij de vestiging van de fabrieksgewijze productie wijzigt ook ver verhouding tussen fabrikeur en zijn thuiswevers. De bestaande productie van vlas krijgt de concurrentie van de katoen. Spanjaard wordt ook leverancier van grondstoffen. De fabriek breidt zich uit. De zoons en kleinzoons nemen het bedrijf over. De fabriek groeit door. Maar de kinderen wijken in levensstijl af van wat de vaders gewend waren. De harde strijd om het te redden in de jungle van de mechanisatie drijft hen tot het doen van hoge uitgaven. Maar het wordt ook een strijd om de status van industrieel en daarmee verdwijnt ook de eenvoud, zo vaak het kenmerk van het ware. Burgerhuizen te midden van het dorp voldoen niet meer. Er verschijnen grote villa’s tussen de
simpele dorpswoningen.

Netty Spanjaard en een meisjesroman

Afb. 01: Omslag van “Louise Geertsma Verheulen, een meisjesleven”, geschreven door Netty Spanjaard. Het is één van de drie uitgaven van haar hand. De omslag is een ontwerp van Jan Toorop

Netty Spanjaard kwam rond 1900 in Borne wonen. Ze heette eigenlijk Jeanne Elias en was de dochter van Mozes Elias en Rozina Spanjaard. Haar beide ouders stierven kort na elkaar en zo werd Jeanne wees. Oom Alexander Spanjaard en tante Carolina Prins namen haar op. Zij schreef op twintigjarige leeftijd drie meisjesromans. Ze spelen zich in Borne en omgeving af. Daarin lees je de verhouding van de rijke ondernemers en het volk in het dorp. Het personeel toont zich eerbiedig tegenover de baas. Ze schrijft soms laatdunkend over de bewoners. Ze wil wel als schooljuf iets te doen hebben. “Ik heb de kleinste kinderen van de klas. Ze zijn zo olie-oliedom. Veel te leren hoef ik ze niet. Ik zing met ze en vertel verhaaltjes en bestraf en maak streepjes en puntjes om ze te laten rekenen en leer ze lezen. () De kinderen moet je soms onnoozele dingen hooren vragen! Ik gier er in m’n eentje soms om, maar ik moet altijd antwoord geven. () Weet je wat zo leuk is bij die kinderen? Ze ruiken altijd zo vreeselijk naar aardappelen en rook en roggebrood”.

Verhoudingen veranderen

Bij de groei van het bedrijf tot een behoorlijke industrie groeien ook de spanningen. In 1903 gaat het mis. Als tijdens de arbeid bijvoorbeeld een draad breekt, staat de machine stil. Voor de tijd van de stilstand wordt geen loon uitgekeerd. Het waren de spoelsters die bezwaar gaan maken en eisen doorbetaling van de wachttijd. De directie weigert. Ze wil ook geen overleg met de vakbonden. Acht dagen na dato zullen ’s avonds om zeven uur de machines worden stilgezet. Ontslag dus per 17 september 1903 en een sollicitatieadvertentie in de Bornsche Courant. Nauwelijks reactie. Uiteindelijk worden de wachttijden vergoed en komt er zelfs een Commissie van Overleg. Maar enkele maanden later worden zestig mensen ontslagen wegens gebrek aan werk. Natuurlijk zijn er de verhalen van opstanden in het dorp in later tijd. Over een arts, die de opstandige arbeiders met jenever voedt. Zo kunnen ze moed indrinken, om de glazen van de fabrikantenvilla’s in te gooien:
De legendarische “glazen bruiloft”: als fabrikant Bernhard Spanjaard zijn 25-jarig huwelijksfeest wil vieren met zijn Bertha Hanf zorgen de arbeiders voor optochten, koekhappen, zaklopen en zingen mee met het hele programma vol welkomstliederen en consumptiebonnen.

Dan komt Jacob Spanjaard

Jacob was jong en hij wilde wat. Hij trouwde met zijn nicht Olga. In 1901 wordt hij aan de directie toegevoegd. Hij is de man rond wiens huwelijk de bevolking zo uitbundig aan het versieren is geslagen, inclusief de pas ontslagen spoeldersbaas. Jacob is de man, die in de jaren daarna als centrale figuur in het bedrijf de lonen verhoogt en verlaagt. Mensen ontslaat en aanneemt. Ook de verkapte loonsverlagingen doorvoert in 1905, 1906, 1907 en 1910. Er is echter nauwelijks tot geen verzet!. Jacob wordt secretaris van de Twentsch-Geldersche Fabrikantenvereniging, maar hij wordt niet toegelaten tot de Hengelosche Sociëteit. Jacob is en blijft een een Jood!! Hij mag wel bij dreigende stakingen te gevreesde “Uitsluitingen” bekend maken in 1919, 1922 en 1923. De Jör!! Ariëns doet in het begin van de 20ste eeuw moeite om een vakbond te stichten in café “De Halve Maan”. De fabriek bestaan zestig jaar en Jacob houdt een toespraak: “Maar, en dat is voor mij steeds de grote kwestie geweest. Waarom ik mij herhaaldelijk met alle kracht heb gemeend te moeten verzetten, tegen datgene, wat van de organisaties gevraagd, gewenst en geëist werd, omdat men voelde, omdat ik voelen kon, dat de formulering van die wensen, die vragen, die eisen niet meer weergaven de gedachtegang, de geestestoestand van het personeel als zodanig, maar dat de toestand beheerst werd door leiders of grote schreeuwers, die onvoldoende met de zaken waren het om ging op de hoogte waren”.

De arbeiders kregen ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van de fabriek een extra weekinkomen en een loonsverbetering van 3% tot 5%. Jubilarissen ontvangen dan f 60,= tot f 100,= en er kwam een pensioenfonds. Maar ja: kort tevoren had diezelfde redenaar een verlaging van lonen doorgevoerd met 7,5% en een verplichting van 130 onbetaalde overuren per jaar.

Afb. 02: Bekendmaking van 27 september 1932 in verband met de oprichting van het Spanjaard-pensioenfonds. Bron: gemeentearchief Borne, collectie Grootenboer, nr. 36

Het personeel

De vakbonden klagen over de lakse houding, juist bij de werknemers van Spanjaard. Werklieden lijden onder de druk en soms naakte uitbuiting van de harde textielbaronnen, waar de directie van Spanjaard deel van uit maakt. Ook de christelijke organisaties verbaasden zich hierover. Misschien is er verklaring te vinden in een pak brieven, door arbeiders geschreven voor de Tweede Wereldoorlog en dan vooral aan “Meneer Jacob”. De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat er zeer onthullende brieven tussen zaten. De mensen schreven om werk, om meer loon, om werkverandering maar ook om bemiddeling bij burenconflicten. Vijf brieven gaan over de verhoudingen op de werkvloer, waarbij “recht voor z’n raap” de bazen worden aangeklaagd. Zo is er een brief uit 1927, waarin de schrijver vriendelijk verzoekt om werk. Om genade te vinden bij Spanjaard. Hij loopt al drie weken op straat. Of hij genade mocht vinden!. Predikanten en priester vragen steun, bij voorbeeld voor een werkplek voor een “gevallen meisje”, om hulp bij een drankzuchtig werker, of een man in een sanatorium.

Er komt import uit Drenthe. Er worden woningen gebouwd. Er is wel eens ruzie tussen de Boornsen en de Drenten over water in die wijk “over het spoor”. De vrouwen van het ene huizenblok mogen in juli 1926 water putten, maar dan slechts emmers water. De oude huisbaas van de fabriek kan niet tegen die ene vrouw op. Ze slaat liederlijke taal uit tegen de andere vrouwen en neemt meer water. Er zijn Spanjaardwerkers die collega’s verlinken per brief aan de baas. Noemt zijn tegenstander een “anarchist”, die meisjes in de buurt met een bezemsteel aftuigt. Een vrouw, die sprak in een taal als: “Mijn kerel hoeft zich niet te laten verrotten op de fabriek”. Alleen daar noteert Jacob Spanjaard met potlood: Wie is die vrouw?.

Afb. 03: Brief van het Leger des Heils uit Almelo aan Jacob Spanjaard met het verzoek om een jonge vrouw te helpen. Bron: gemeentearchief Borne, collectie Grootenboer

Er zit zoveel dubbel in de geschiedenis van Spanjaard en de werklieden. Hij levert werk, ontslaat, neemt weer terug, steunt zieken en zwakken en laat ze over aan “de instanties”. Plaagt zijn mensen en drinkt met hen de onverwoestbare borrel.
Speelt een rol bij de volksfeesten, richt de muziekvereniging “Ons Genoegen” op. Dan is de Spanjaard-dynastie op het toppunt van de macht en kan ook Jacob de verleiding niet weerstaan van wat Willem Brakman noemde: “De venijnige macht op de kleine plek”. Jacobus Spanjaard: een legende.

Aan de andere kant zijn er de werklieden. Al of niet georganiseerd. Laten we zeggen: die terughoudend in actie voeren. Het notulenboek van de Eendracht loopt van 1901 tot 1941. Over de reeks stakingen: geen woord!. Jacob Spanjaard had de touwtjes goed in handen. Vakbondsleiders en andere grote schreeuwers hadden geen vat op hem. Hij heeft
een spoor door Borne getrokken. Een spoor van verbazing en verbittering en van teleurstelling. Ook dat. Rond 1934 brak zijn geest. Hij sterft en wordt bij zijn vaderen verzameld en op de Joodse Begraafplaats begraven en op de Joodse begraafplaats is zijn steen het hoogst van allen.

Spanjaard en de Tweede Wereldoorlog

Het wordt 1939 en 1940. Sinds 1921 werkt de Duitse medewerker Selbach als baas bij de fabriek, tot volle tevredenheid. Als op die verschrikkelijke dag, dus op 10 mei 1940 de Duitse legers langs Borne marcheren en de gepantserde treinen onophoudelijk in westelijke richting daveren loopt personeelschef Janse met een keurig geschreven mededeling op geel papier naar het aanplakbord en iedereen leest, alsof het een gewone lentedag is: “Wij deelen onze arbeiders mede, dat hedenmiddag een voorschot op het loon zal worden uitbetaald als volgt: Gehuwden en kostwinners f 20,= Ongehuwden boven de 18 jaar f 10,=, Ongehuwden beneden de 18,= jaar f 5,=.

De directie voelt, dat het fout gaat. Ze benoemen voor alle zekerheid een niet-joodse algemeen directeur. Ze tekenen de Jood-verklaring. Ze worden bedreigd en de aardigste onder hen, JOHAN, vermoedelijk verraden door Selbach, verdwijnt naar Mauthausen om niet terug te keren. Anderen duiken onder. Karel vertrouwt zijn adresje in het zuiden, maar hij wordt van zijn waardevolle spullen beroofd. Hij keert terug en vindt een schuilplaats ergens in Friesland. Isaäc duikt onder bij een arbeider in het dorp en sterft daar een natuurlijke dood. De timmerman timmert een kist en de sjabbesgoj aan de Ennekerdijk brengt de kist in de stromende regen en de harde wind naar het onderduikadres, waar Isaäc voorlopig onder een schuurvloer wordt begraven.

Na de oorlog komen Albert en Leo terug, kapot en verweesd. Beiden sterven dan kort na elkaar. Johan Spanjaard en zijn jonge neef Dirk sterven in het concentratiekamp Mauthausen. Voor hen zijn 75 struikenstenen gelegd. Een tekst uit Jesaja: “Hen geef ik iets beters dan zonen en dochters: een gedenkteken en een naam in mijn tempel en binnen de muren van mijn stad.” En met hen zijn de meeste Joden weggebracht en niet meer terug gekeerd. Des te schrijnender is het, als men de verhouding tussen stad en platteland bekijkt. In de stad heb je het over categorieën. Amsterdam met de Jodenbreestraat, Den Haag met de Paviljoensgracht, Groningen met de Folkingerstraat. In het dorp praat je over namen van de mensen, die je kende: Spanjaard, Van Gelder, Zilversmit, Schlosser……
Karel is nog teruggekomen. Hij loopt weer door het dorp maar anders dan vroeger. Karel was immers de handelsdirecteur en was dus altijd onderweg. Hij had geen binding met Borne, zeiden ze. De arbeiders zijn ook anders, zelfbewuster geworden. Het Witte Huis, eens de woning van de legendarische Jacob Spanjaard heeft een andere functie gekregen. Daar worden werknemers in zelfredzaamheid getraind. De verhouding tussen Spanjaard en Borne is niet meer gelijk met het ritme van de snelspoel van weleer. De namen van de familie Spanjaard zijn slechts te vinden op de rustige, voorname Joodse begraafplaats. Alleen daar zijn ze nog dominant aanwezig.

Afb. 04: De fabriek in de jaren ‘70

De fabriek werd in 1973 gesloten. De fabriek, zeven hectare herinnering aan werk en strijd is afgebroken. Een zeer oude spinner, staande bij de sloop: “Als de Jör nog geleefd had, was dat nóóit gebeurd.

(–> naar PDF-versie van deze publicatie)

(–> naar Inhoudsopgave 2016-01)

(–> naar Boorn & Boerschop pagina)