Boorn & Boerschop 2015-02: Het verhaal van het erve “Meulenbroek”

Auteur: Martin Thiehatten

Aan de Meulenbroeksweg te Hertme staat de oude boerderij Erve Meulenbroek. Het boerenerf is al eeuwen in het bezit van de familie Meulenbroek. In 1582 was het erf eigendom van Hans Albrecht van Reede zu Brandlicht, afkomstig van huis Saasveld en domheer van Münster. In genoemd jaar koopt Bertolt ten Mollenbroeck een “strepelken maetlanden in sijnder maette bij den Mollenbroeck soo faer als die van Hartmen daran belaken kondt, ende ein klein hoecken achter sijnder want in den goerden, ende Bertolt und sijne voorsaeten in gebruijck gehat hebben…..”. Daarmee krijgt de familie Meulenbroek een deel van het erf in eigendom. Deze en andere historische wetenswaardigheden kwamen tevoorschijn toen in 2010 de oude boerderij werd verbouwd. Rond een staander van de eiken gebinten was een kast gebouwd. Toen deze werd weggehaald, bleek in een uitsparing van de staander een 20-tal notariële akten te zitten. Je zou de staander met uitsparing een oud Saksische kluis kunnen noemen.

Afb. 01: De “kluis” in de staander
Afb. 02: Toegang tot de boerderij: Meulenbroeksweg

Ceciel Meulenbroek kwam met de akten naar het Historisch Informatie Punt in de bibliotheek met de vraag, of de heemkundevereniging er iets mee kon. Zij zelf kon de handgeschreven akten namelijk niet lezen.
Die uitdaging werd aangenomen. Na het transcriberen van de akten, met enige hulp van Henk Woolderink, bleken de uitgetypte versies een groot deel van de familiegeschiedenis van de Meulenbroeks te beschrijven.
In de verhalen blijkt, dat de familienaam steeds verschillend wordt geschreven, soms zelfs in dezelfde akte. Zo komt de naam Meulenbroek voor als Mollenbroeck, Mollenbroock, Mollenbroick, Mollenbroek en Moelenbroek. Zo is ook de naam Van Rhede ook als Van Rheede geschreven en Joannes staat soms een regel verder als Johannes.
Ook is een aantal keren de letterlijke tekst uit de documenten geciteerd, waardoor er een voor deze tijd vreemd Nederlands staat. Maar het naar de huidige taal omzetten van de oude formuleringen zou afbreuk doen aan de strekking van de verhalen.
Erve Meulenbroek dankt haar naam aan een vroegere watermolen in de Gammelkerbeek. Deze beek vormt de grens tussen de marke Hertme in de gemeente Borne en de marke Dulder in Saasveld in de gemeente Weerselo.
Een aantal van de bijzonderheden uit deze akten zijn het vermelden waard en worden daarom dan ook hierna beschreven.

De familie Meulenbroek

Maar eerst de familie Meulenbroek, die het erf in pacht heeft van de familie Van Rheede van Saasveld.
In 1582 wordt een klein deel van de grond van het erf verkocht aan Bertholt ten Mollenbroek.

Afb. 03:

Deze verkoop, beschreven in de oudste gevonden akte levert de naam van de eerste bekende voorvader van de familie Meulenbroek. Zijn echtgenote is alleen bekend met haar voornaam, als Tibben zijner echten huijsfrouwen.
Hun zoon Engelbert is in 1615 de volgende bewoner en pachter van het erf. Hij is gehuwd met Geertken ten Hulscher.
In 1628 is jonker Hans Albrecht van Rheede eigenaar van de hoeve. In dat jaar maakt hij een nieuw pachtcontract op voor Engelbert ten Mollenbroeck en Geertken zijn wettigen huisvrouw. Ze mogen het erf gedurende hun beider leven gebruiken en bewerken, als ze ieder jaar op Sint Maarten, 11 november, de jaarlijkse pacht betalen.
Onder de pachtvoorwaarden hoort, dat de pachters opgenomen, dat mocht een van het echtpaar komen te sterven, de langstlevende met instemming van de pachtheer van Rheede of zijn erfgenamen een nieuw huwelijk zal aangaan en het genoemde erve opnieuw zal aanvaarden.
Voor 1652 komt Engelbert te overlijden. Zijn weduwe Geertken blijft achter en van zijn vijf kinderen is reeds een dochter overleden. Zoon Bertolt wordt in dat jaar 1652 de erfopvolger.
De akte van boedelscheiding uit 1652 beschrijft, hoe de nalatenschap wordt toegewezen aan de erfgenamen.
Bertolt is gehuwd met Jenneken, waarvan de achternaam onbekend blijft.
Hun zoon Engelbert is als erfopvolger in 1692 de volgende pachter van erve Meulenbroek. Zijn echtgenote is Maria Richterink.
In 1712 trouwt hun zoon Berent met Maria Wilminck. Hun akte van huwelijksvoorwaarden laat zich met verwondering lezen. Daarop wordt later nog teruggekomen.
In 1743 brengt Berent aan het huis enige verbeteringen aan en bouwt hij een nieuwe put. Op de opstaande rand van Bentheimer zandsteen komen de beginletters van zijn naam B.M.B. te staan en het jaartal 1743. Deze put staat nog op het erf.

Afb. 04:

Wij Johan de Meijer en voort gemeene buren van Hartmen bekennen voer mij des deeser tegenwoordiger hantschrift,dat wij hebben verkoft Bertolt ten Mollenbroeck, Tibben sijner echten huysvrouwen den strepelken maetlanden in sijnder maette bij den Mollenbroeck soo feer als die van Hartmen daran belaken kondt, ende ein klein hoecken achter sijnder want in den goerden, ende Bertolt und sijne voorsaeten in gebruijck gehat hebben voor sijnen sekeren penninck den sie ons buren voerscreven al und wal (=geheel en al) te willen betaelt hebben. Ende de voerscrevenen penninghe hebben wij voert overgetelt den oskercken knechte, die binnen Borne leegen. Beloven daeromme derhalven voerscreven Bertolt off sijnen erfgenamen, dat alle tijt toe staene en toe waeren als men dat nae rechte schuldig is te doende en alletijt betere bemissinge t’ doen

In 1749 trouwt hun zoon en stamhouder Gerardus met Gertrudis Bartelink. Ook zij stellen vooraf een akte van huwelijksvoorwaarden op, waarin onder andere de bruidsschat wordt beschreven. Hun zoon Joannes komt in 1754 ter wereld en wordt hun erfopvolger. Joannes treedt in 1782 in het huwelijk met Henrica Stroothuis. Hun zoon Bernardus, die in 1787 wordt geboren, huwt in 1827 met Maria ter Bekke. Zij krijgen in 1832 een zoon, Hermannus geheten, die hun stamhouder en erfopvolger gaat worden.
Hermannus Meulenbroek trouwt in 1877 met Everdina Meijer.
Hun zoon Bernardus, geboren 6 april 1879 trouwt met Maria Hermina Harink. Hun zoon Gerardus Johannes, geboren 18 juni 1930 is de huidige bewoner van erve Meulenbroek.

Afb. 05: Het Meulenbroek anno 2014

Het eigendom van erve Meulenbroek

Voor 1600 is de hoeve eigendom van de adellijke familie Van Rheede van Saasveld. Het bezit komt in handen van de tak van de familie Van Rheede, die zich heeft gevestigd te Brandlicht in Duitsland.(1)
In 1662 wordt erve Meulenbroek verkocht. De eigenaar, kanunnik Joan Plechelm de Rhede, domheer te Munster, is overleden. Curator van de nalatenschap is de advocaat Christoffer Bresson, daartoe geautoriseerd door de landdrost van Twente. De nieuwe eigenaar wordt Caspar Heisen.
In 1704 wordt een derde part van erve Meulenbroek, dan in het bezit van Dietmer Winhold en echtgenote Geertien Berends, verkocht aan Gerrit Toenissen Hulshoff en Geertien Gerritsen te Borne voor 365 gulden. Er wordt 300 gulden betaald en de overige 65 gulden wordt bedongen als koopsom voor een half stuk land Bomkamp bij ’t Middendorp gelegen tussen het land van Gerreyt Gerreytsen en Toenis Gerreytsen. Het overige twee derde deel van het erve behoort in 1713 aan de koster Gerrit Wessels uit Borne.

In 1724 zijn de eigenaren Hendrick Grothof, Hendrick Kolner en Hendrick Hulshoff. Hendrick Kolner doet zijn deel al spoedig over aan de familie Mulder te Borne. Aan Gerrit Hulshoff behoort dan de helft van erve Meulenbroek en van de andere helft behoort twee derde aan de erfgenamen van Grotenhof en een derde aan Jan Mulder.
Op 18 december 1789 koopt Jan Meulenbroek en Hendrika Strootman het halve erve Meulenbroek. Hier moet sprake zijn van Joannes Meulenbroek, die in 1782 is getrouwd met Henrica Stroothuys.(2)
Op 2 februari 1877 koopt Maria ter Bekke de resterende grond van het erve Meulenbroek van de familie Barentszen en komt het hele erf in het bezit van de familie Meulenbroek.

Enkele opmerkelijke verhalen uit de gevonden akten

Uit de akte: Kundtschapen vant wekeholt op Mollenbroocks kamp; 24 mei 1624.
In 1624 heeft Engelbert ten Meulenbroek gronden in gebruik aan beide kanten van de beek. Dan wordt hem door de bewoners van de Dulder marke verboden daar elzen en ander wekehout te kappen, hoewel hij dat al vele jaren met toestemming schijnt te doen. Meulenbroek spant een proces aan bij de burgemeester van Delden, die een paar getuigen oproept. Engelbert wordt in het gelijk gesteld en kan weer hout kappen. Bij het horen van de getuigen wordt hen gevraagd naar hun leeftijd: “Wo olt getuigen sijnnen”. Ze weten het niet precies. Hinderick Bertelinck is “ommetrent viertigh jaer” zegt hij. Wolter ten Velthuis verklaarde “sin olderdoms te wieten dertigh jaren ongeferlick”. De getuigen verklaren verder, dat Meulenbroek het hout mocht kappen, zo lang ze hem kennen.

Afb. 06:

Kundtschappen vant wekeholt
op Mollenbroocks kamp, nae die
sit van Dulder ende omtrent
de gravens
Anno 1624

Wij borgemeisteren scepen en raedt der stadt Deldenn doen condt, tuigen ende bekennen vermitz dieser unser apener versegelder certification wie datt voer uns in schependoms to gerichte persoenlick gecompariert unnd erschenen iss die erentvromme Engelbert ten Mollenbroek producerende Henderick Bertelinck undd Wolter ten Velthuis, unnde versochte dieselve sampt unde bijsonder umme getuichnisse der waerheit ter ewigenn gedachtnisse vlitigh to examineren ende die suivere, reine, clare waerheit van vorgestelde vrage articulen, middel eedt in debita et solemni forma to entdecken ende dair voer niet om te siehen silver noch golt, vrundtschap oder maghschap noch ennich dinck ter werelt datt sonne offte mane beschinen mach. So averst getuigen op die vorgaende interrogatorien to deponierenn worden verweigeren, wolde producent nicht lijden boven schaden so rechte omme vifftich golden gulden daer van ten firlusten werdt geprotesteert.

Uit de akte: Magenscheid van Geertken weduwe van Engelbert then Mollenbroick; 9 januari 1652

Geertken ten Hulscher is de weduwe van Engelbert then Mollenbroick.
In 1652 laat ze een akte van boedelscheiding opmaken, om haar nalatenschap over te dragen aan haar kinderen.
De akte draagt de titel: “Moetsoen of Magenscheid van Geertken die weduwe van salige Engelbert then Mollenbroick”.
In die tijd worden kinderen en vrouwen vertegenwoordigd in rechten door een mombaar.
De mombaar voor Geertken is Johan ten Hulscher. Johan is meijer (grondbeheerder) van de heer Schele van Weleveld.
De vijf kinderen van Geertken zijn:

  • Geertken. Zij is getrouwd met Geert ten Damme en Geert treedt op als mombaar voor zijn vrouw.
  • Johan. Hij woont in Zwollle en hij heeft Johan Berentsen van ’t Hulscher (zijn oom?) benoemd tot zijn gevolmachtigde.
  • Jenneken. Deze dochter is overleden en was gehuwd met Wolter Geerdten ten Cate.
  • Omdat zij is overleden, zal een daarna geboren dochter ook Jenneken zijn genoemd.
  • Bertholt. Zijn huisvrouw is Jenneken, haar achternaam is niet bekend. Vermoedelijk woont Bertholt op het erve Mollenbroek en heft als erfopvolger het boerenbedrijf van zijn vader overgenomen. Jenneken woont bij haar moeder en zal ongehuwd zijn. Haar mombaar is Lubbert then Mollenbroick, waarschijnlijk haar oom, een broer van haar vader Engelbert.

Bertholt is de erfopvolger en krijgt de bezittingen, Een kamp bouwland (onbelast) en de stenen schoppe (schuur), staande voor de boerderij. Deze twee zaken zijn het eigendom van de familie. Het erf en de boerderij is bezit van de heer van Saasveld, Gerhart van Reede.
Bertholt moet de overige erfgenamen uitbetalen.

Aan de weduwnaar Wolter ten Cate moet het nog niet uitgekeerde deel van de bruidschat van Jenneken ten Mollenbroick worden uitgekeerd. Deze bruidschat was beschreven in een akte van 18 november 1615, opgemaakt door Lubbert van Rensen, rechter te Oldenzaal en mede ondertekend door Gerhart van Reede.
Wolter ontvangt een bedrag van 20 daalders à 30 stuivers, een guste koe en een stierkalf.

De andere drie erfgenamen ontvangen van Bertholt 175 daalders à 30 stuivers.
Bertholt moet alles binnen 5 jaar hebben uitbetaald en zolang dat niet is gebeurd, dienen de kamp bouwland en de schoppe als hypothecair onderpand.

Daarbij komt nog, dat moeder Geertken haar leven lang elk jaar een spint lange lijn mag zaaien op Bertholts land, waar hij ook zijn eigen lijn zaait.(3)

Uit de akte(4): Huwelijksacte Berent Moelenbroek en Mariije Wylminck; 28 mei 1712

Heden is ter vermeerdering van het menselijk geslacht tot wettelijk huwelijk besloten ten overstaan van wederzijdse ouders en vrienden:
-Berent t Moelenbroeck t Hertme, zoon van Embertt Moelenbroeck en Marijije zijn huisvrouw en Mariije Wylminck, dochter van Albert Wylminck en Herminken overleden, zijn huisvrouw
Na drie voorafgaande proclamaties of huwelijksafkondigingen.

Dit onder de volgende condities:
De bruidegom belooft zijn bruid naar het Moelenbroek te halen om het erf gezamenlijk te bedrijven zoals voorgaande beheerders hebben gedaan.
Albert Wylminck belooft de bruid mee te geven als bruidsschat aan haar bruidegom 150 Karelsgulden, een koe, een stierkalf en 25 gulden als bijdrage ter aankoop van een paard.

Verder is overeengekomen tussen de ouders en het bruidspaar, dat de ouders op het erf kunnen blijven wonen en het erf bewerken zo lang het hen belieft en dat de bruidegom en bruid met de ouders samen een huishouding voeren (het bruidspaar trouwt bij de ouders in).
De bruidegom zal voor eigen gebruik jaarlijks een half mud land hebben en de bruid krijgt het recht jaarlijks een spint korte en een spint lange lijn (vlaszaad) te zaaien. Na de winter kan de bruid voor haar zelf (het linnen) spinnen.

Verder is overeengekomen, dat de bruid mede in de huishouding zal worden voorzien van linnengoed, terwijl ze voor haar zelf en haar bruidegom voor de wollen kleding moet zorgen.

Mocht men echter door een sterfgeval of anderszins hiermee niet meer akkoord gaan, dan zullen de ouders de keuze hebben in de lijftucht te gaan wonen met daarbij behorend de kerkkamp met twee stuks gaarden land (tuingrond) en tegen de kerkkamp een weide en een stuk land naast het oude huis. En nog de hoekmaat grond en kampje met land.
Als de ouders er voor kiezen, dat de jongelui in de lijftucht(5) gaan wonen, dan krijgen zij ook alles erbij wat de ouders hebben bedongen.

Komt bruidegom of bruid te sterven zonder lijfes erfe (nakomelingen/erfgenamen), dan ontvangt de langstlevende een som geld vor én margen (morgen-gave), de bruid honderd, de bruidegom zestig gulden.

Zijn oorkonde der waarheid is dit, door ouders, vrienden en verwanten ondertekend.

Uit de akte: Testament Bernardus Meulenbroek te Hertme; 31 januari 1872

Bernardus Meulenbroek, gehuwd met Maria ter Bekke, voelt zijn levenseinde naderen en besluit zijn testament op te maken bij notaris Petrus de Poorter te Oldenzaal.
Hij laat aan zijn echtgenote het vruchtgebruik zonder verdere verplichtingen en benoemt zijn oudste zoon Hermannus, als erfopvolger, tot zijn enige en algemene erfgenaam. Zijn andere 7 kinderen, dat zijn Johanna, Anna Maria, Gezina, Hendrika, Susanna, Euphemia Maria en Hendrikus, zullen na overlijden van zijn echtgenote een bedrag van 200 gulden krijgen.
Gezina, Hendrika, Euphemia Maria en Hendrikus zijn nog niet getrouwd. Als ze gaan trouwen, kunnen ze kiezen voor een uitzet of een bedrag van 250 gulden te ontvangen met daarbij een vederen bed met toebehoren. De ongehuwden hebben het recht, om bij de oudste zoon Hermannus te blijven wonen, die hen van behoorlijke kost en kleding moet voorzien, op voorwaarde, dat zij op het bedrijf fatsoenlijk meewerken.

Uit het document: Het verhaal van pastoor Velthuijsen te Hertme(6)

Een van de documenten is door deze pastoor geschreven en daarin staat: “Geslachtkundige aanteekeningen omtrent de familie Meulenbroek te Hertme: door B.P. Velthuijsen”(7).
Hij kreeg inzage in de notariële akten van de familie en met de kennis daarvan schreef hij de familiegeschiedenis. Het zal een pastoor uit die tijd eigen zijn, om extra aandacht te besteden aan de geboorten van de kinderen. Dat wordt hem mogelijk, als hij gegevens uit de doopboeken vanaf ongeveer het jaar 1700 beschikbaar heeft. Op het erve wonen in 1712 Berent en zijn echtgenote Maria Wilminck.

Het verhaal, met weglaten van de andere onderwerpen, gaat als volgt:
De oudste Aleida genaamd geboren 26 Maart 1714 werd door hare grootmoeder ten doop gehouden. De tweede Hermannus geheeten zag het levenslicht den 7 Maart 1716 en had tot peetoom zijn grootvader, tot peettante de zuster zijner moeder. Den 21 Januari 1718 trad de derde, Gerardus, de wereld in en, toen hij door de wateren van den H. Doop werd afgewasschen, hielden Werner Wilmink en Joanna Meulenbroek hem boven de vonte.
Een groot jaar later moest Gerardus de wieg ruimen voor een jongeren broeder, die door Euphemia Wilminck en Suederus Kolk den 3 November 1719 ten doop werd geheven en bij den doop den naam Joannes ontving.
Naar het schijnt trad als de bekende Jacoba deze Joannes met tegenzin ter snoode wereld in, althans toen den 19 November 1721 de ooievaar weer op het Meulenbroek neerstreek en een kindeken bracht noemde zijn ouders hem weer Joannes, blijkbaar omdat de eerste totularis reeds onder de engeltjes van het hemelrijk was opgenomen. Joannes die de rij der kinderen van Berent then Molenbroeck en Maria Wilmijnck sloot had tot peetoom en tante Jodocus en Joanna Colckers.

Doch keren wij tot Berent Meulenbroek weder.
De zegen des Hemels rustte blijkbaar op het huis van den braven landman. God schonk hem niet slechts een rijken kinderzegen maar ook een hogen ouderdom, en liet hem tot aan zijn dood in het bezit zijnen brave gade.

Zijn gouden bruiloft mocht vader Berent ten Mollenbroek niet beleven. Hij overleed voor of in 1757. Doch de avond van zijn leven liet nog de laatste stralen van een blijde gelukszon op zijn vergrijsden schedel vallen. Den 6 October 1750 ging hij blij gemoed tempelwaarts om God te danken die hem een kleinzoon – een stamhouder – geschonken had. Berent werd met Susanna Bertelink peter over den kleinen Joannes, die dien dag het H. Doopsel ontving. En toen weer een goed jaar was heengemeld, op oudejaarsavond 1751, werd Grootmoeder Marijken Meulenbroek verblijd door de geboorte van haar peetekind Maria, dat zij met vader Wolter Bartelinck ten doop borgde.
Intusschen was de vermeende stamhouder de kleine Johannes uit de wieg naar den Hemel verhuisd, maar troostte van daar zijne bedroefde ouders en grootouders. Een tweede zoon werd Gerrit Meulenbroek geschonken den 19 Nov. 1754 en zijn ouders noemden hem naar het broertje dat Hemelwaarts getrokken was, Joannes. Gerrit Bartelinck en Aleidis Freriksen, geb. Mollenbroek, brachten hem naar pastoor Hommels op den Kolk, om hem door H. Doop te kerstenen. Het gesaligde broertje deed zijn werk niet ten halve. De kleine Johannes, zijn naamgenoot, groeide voordelig op en toen hij den huwbaren leeftijd bereikt had trad hij in den echt met Henrica Stroothuys, die hem gelijk wij later zullen zien, onder meer andere kinderen den 5 Dec 1788 een zoon schonk Bernardus genaamd.

Geheel zonder kruid was echter Berents levensavond niet. Zijn kinderen omringden den grijsaard met tedere zorg en voorkomenheid; hij zag zijn kleinkinderen als jeugdige olijven om zijne tafel gezeten.

Vader Berend had zijn stamhouder aanschouwd en nu was zijn aardsche pelgrimstocht ten einde. Hij zag zijn kinderen en kleinkinderen in Gods vrede en zegening opgroeien en ging waarschijnlijk in 1757 naar betere gewesten.
Grootmoeder Meulenbroek hield daar op raad met hare kinderen en deed afstand van het erve dat zij aan haar zoon en schoondochter overdroeg. Ook de akte waarbij deze overdracht geschiedde is bewaard gebleven.

De oude “Beppe” bleef nog lang voor hare kinderen en kleinkinderen gespaard. In 1766 was zij nog in het leven, zeker bijna tachtig jaren oud, misschien zelfs diep in de tachtig, want het was in dat jaar reeds 54 jaren geleden dat zij met Berent ten Mollenbroek in den echt trad. Zij zag het huisgezin van haren zoon Gerrit gaandeweg vermeerderen. In Januari 1758 schonk haar schoondochter het leven aan een zoon, bij den doop Bernardus geheten, en door Bernardus Bartelinck en Joanna Meulenbroek als peters kerkwaarts gedragen. Den 5 Mei 1760 ging Elisabeth Bartelink met een nieuwe spruit naar den Kolk en vroeg pastoor Hommels de pasgeboren dochter van Gerrit Meulenbroek, Susanna geheten, den H. Doop te geven en naast haar Joannes Keerckes als peter in te schrijven.

In 1762 werd op het Meulenbroek weer ”kinderbier” gehouden. Den 25 october van dat jaar botte een nieuwe twijg aan den alouden stam der Meulenbroeks uit. Toen zag het levenslicht Hermannus M. die den 1 Juli 1793 in den echt zou treden met Gesina Misdorp en zich met zijn jeugdige gade ging vestigen op het Bartelink. Assuerus Kericksen, die op den Kolk woonde en daarom in de wandeling “Kolkswier” genaamd werd, hield met Bernardina Bartelinck den kleine Mannes ten doop.

Waarschijnlijk stierf grootmoeder Meulenbroek in 1766. Nog geen twintig jaar later trad haar kleinzoon Joannes in den echtelijken staat. En ook dezen was van den Hemel een rijken kinderzegen beschoren.
Zijn gade Henrica Stroothuys, die hij naar het bruidsaltaar leidde, schonk hem den 15 Sept 1783 een zoon Gerardus genaamd, die door Gertrui Meulenbroek, geboren Bartelink met Gerardus Stroothuys ten doop werd gehouden.
Anderhalf jaar later 7 Maart 1785 gingen Bestevader Stroothuys en Bestemoeder Meulenbroek weer kerkwaarts, nu om hun kleindochter Gertrudis Meulenbroek te doen kerstenen.

Tot zover het verhaal van de akten uit de oud Saksische kluis van erve Meulenbroek

Afb. 07: Weg naar de boerderij; Meulenbroeksweg
Afb. 08: Huwelijksacte Berent Moelenbroek en Mariije Wylminck; 28 mei 1712

Noten

  1. Sinds vroeg in de 14e eeuw tot het jaar 1483 was defamilie v. Brandlecht woonachtig in der heerlijkheid Brandlecht en het daarbij behorende riddergoed Brandlecht. Brandlecht ligt ten zuidoosten van Nordhorn. In 1473 kan het riddergoed wegens schulden niet meer behouden en wordt het verkocht aan de familie van Rhede uit Saasveld.
  2. Bron “Het voor en nageslacht van Hendrik ter Bekke en zijn zuster Bernardina ter Bekke”: Van Bertha van der Worp-Ter Bekke. Juni 1678 tot december 1994; : Blz 57
  3. Lange lijn is vlas, waaruit het linnen wordt gewonnen.
    Korte lijn is vlas, waarvan de zaden worden uitgeperst voor het verkrijgen van lijnzaadolie.
    Lijnzaadolie werd en wordt gebruikt voor schildersverf (Rembrandt), voor verf om huizen te schilderen en voor verwerking in voedsel.
    Een Twentse schepel is ca. 887 m2, 4 spint is 1 schepel. Bron: Wikipedia.
  4. Trouwen zonder het maken van huwelijksvoorwaarden betekent in die tijd trouwen buiten gemeenschap van goederen. Tegenwoordig is dat het omgekeerde. Als nu geen huwelijksvoorden worden gemaakt wordt getrouwd in gemeenschap van goederen.
  5. Lijftucht is een kleine woning, gebouwd bij de boerderij, waar uittredende ouders gingen wonen, als ze de boerderij hadden overgedragen aan de erfzoon. Soms bleven de ouwelui op de boerderij wonen en gingen de jonggehuwden in de lijftucht wonen.
  6. Pastoor Velthuijsen is tien jaar in Hertme van 1895 tot 1905. Bernardus Petrus Velthuijsen, doorgaans gekleed in een kuitbroek en een lange zwarte jas, legt hij lopende zijn huisbezoeken af en heeft naam gemaakt met zijn strijd tegen drankmisbruik.
  7. De gegevens van pastoor Velthuijsen zijn ontleend aan de website van de Heemkundevereniging Hertme.

De foto’s bij dit artikel zijn van de schrijver: Martin Thiehatten.

(–> naar PDF-versie van deze publicatie)

(–> naar Inhoudsopgave 2015-02)

(–> naar Boorn & Boerschop pagina)