Boorn & Boerschop 2015-01: Uit het dagboek van een herder

(‘’Mijn vader schreef altijd en legde alles vast’’)

Auteur: Annemarie Haak

Samen met haar zusje stond ze bij het tuinhekje aan de kant van de straat. Vanuit de galmgaten in het kerktorentje werden ze nauwlettend in de gaten gehouden door vader, die zich daar had verschanst. Zo nu en dan werden ze door moeder naar binnen geroepen om even later weer te posten. Stond ze er alleen dan was het niet veilig, stonden ze er met z’n tweetjes, dan was de kust veilig.

Reini Cohen-Dubbeldam weet het nog precies. Het was november 1944, tijdens een razzia waarbij alle mannen tussen de 16 en 60 jaar verplicht waren zich te melden met een schop, een deken, wat kleding en brood voor één dag. Velen verstoppen zich. Zo ook Abraham Dubbeldam en enkele buurtgenoten. Ze verschuilen zich tussen het dak en het gewelf van de Nieuwe Kerk aan de Deldensestraat. Ze hebben kleding over elkaar heen aangetrokken tegen de kou en verder wat proviand meegenomen. Ondertussen beginnen de Duitsers met het doorzoeken van de huizen. Vanuit de galmgaten ziet de hulppredikant hoe er verscholen mannen worden opgepakt. Soldaten rammelen aan de kerkdeur, maar deze is vergrendeld. Tot drie keer toe dringt de bezetter de pastorie binnen en doorzoekt het huis. Ze willen ook de kerk binnen, maar niemand weet uiteraard iets over een sleutel! ‘’Er werd gelukkig niet geprobeerd om de kerkdeur in te trappen en mocht dat het geval zijn geweest, dan geloof ik niet dat ze de trap naar de kerkzolder gevonden zou hebben. Het toegangsluik zat achter het orgel’’, verklapt Reini met een triomfantelijke lach. Toen de rust weergekeerd was en de mannen uit hun schuilplaats te voorschijn kwamen, bleek dat er 160 dorpsgenoten opgepakt waren, die over de grens gebracht werden om daar te werk gesteld te worden.

Afb. 01: Reini Cohen-Dubbeldam bij het tuinhekje. Op de achtergrond de kerk aan de Deldensestraat. Foto: Annemarie Haak

Dankzij de dagboeken van A. Dubbeldam zijn we erg veel te weten gekomen over het leven in Borne in de Tweede Wereldoorlog. Over het onvoorspelbare gedrag van de bezetter, de steeds strenger wordende verordeningen, over de NSB, over de wreedheden van de bezetter wanneer er niet gehoorzaamd werd, over executies, razzia’s die te pas en te onpas werden uitgevoerd, de deportaties en de toenemende schaarste aan letterlijk alles. ‘’Mijn vader hield van schrijven en gezeten naast het orgel in de kamer was hij daar heel vaak mee bezig.’’
Het dagboek zelf heeft ze niet meer. Ooit een keer uitgeleend en niet weer terug gekregen, maar toch heeft ze nog veel herinneringen op schrift staan.

Dubbeldam hield niet alleen alle gebeurtenissen nauwgezet bij, hij zette zich tevens in voor de hulpverlening. ‘’Na het bombardement van Rotterdam, stapte hij op de fiets om ter plekke te kijken wat daar gebeurd was. Vervolgens kwamen er kinderen uit die stad naar Borne om hier aan te sterken. Vader zorgde voor adressen waar de kinderen opgevangen konden worden. Tevens helpt hij onderduikers aan distributiekaarten en valse paspoorten. Samen met mijn zusje heb ik vaak bij ons in de tuin een wit laken strak houden, als achtergrond voor pasfoto’s.’’ Zo raakte de predikant betrokken bij de illegaliteit. Zelfs van de pastorie maakte hij een opvanghuis. Mensen die bang waren zoals Janna Deijs of de weduwe Van Vliet, die bij toerbeurten met haar kinderen bij hun sliepen, werden opgevangen. ‘’Zo hebben eens twee kleuterleidsters bij ons gelogeerd die leuke liedjes met ons zongen. Ik ken ze nog!’’, lacht ze. Ook weet ze nog dat op een dag gevangenen uit een trein sprongen. Ze waren opgepakt vanwege hun betrokkenheid bij het verzet. Eén van hen, Geert, een student medicijnen, verblijft drie maanden bij het gezin Dubbeldam. Als het gevaarlijk werd, sliep hij eveneens op de kerkzolder.

Van hem en ook van andere gevangenen verneemt het gezin over de wreedheden van de bezetters tijdens verhoren en de behandelingen in de kampen. ‘’Na de oorlog hebben we nog lang contact gehouden met Geert. Mijn ouders zijn zelfs nog bij de diploma-uitreiking geweest toen hij afstudeerde. Het is een vriendschap voor het leven gebleven’’.

Afb. 02: Dominee en mevrouw Dubbeldam gefotografeerd in hun woonkamer

De predikant schrijft over het afsnijden van het elektrisch waardoor men aangewezen is op een paar schamele kaarsjes. Elk stukje wordt opgespaard zodat er in ieder geval bij het eten en het uitkleden een klein beetje licht is. Tevens wordt ontdekt dat wonderolie op een klein schaaltje ook wil branden. Reini kan zich dat nog goed herinneren. Ook de voortdurende zorg om eten. Op zijn tocht door de gemeente had Dubbeldam altijd lege flessen in zijn fietstas om hier en daar wat melk op te doen of als er geslacht werd een stukje spek of vlees te bemachtigen. ‘’Ook mocht ik samen met mijn zusje elke dag naar boer Spalink op de Kerkedennen om melk te drinken. Die was nog warm, kwam zo van de koe en dat vond ik vreselijk’’, zegt ze met een gezicht dat nog gruwt bij die herinnering.

In de koude winter van 1942 geeft de waarnemend nat. soc. burgemeester bevel een gemeentebos te kappen. Elk gezin kan acht dennenstammetjes krijgen. ‘’Dat had een enorme chaos tot gevolg, want alles en iedereen spoedde zich naar het bos om zijn deel op te halen.’’ Zagen en bijlen waren niet meer te koop schrijft Dubbeldam en al gauw werd er misbruik gemaakt en ook ’s nachts hout gehaald, waardoor de distributie weer werd stop gezet.

Deze burgemeester bezocht tevens regelmatig de kerkdiensten. Met name om te controleren of er iets gezegd of gedaan werd wat verboden was. ‘’Mijn vader stoorde zich daar niet aan en bad elke dienst voor de Koningin en voor de regering ondanks het verbod. Alles wat oranje was werd verboden. Straten met namen van het Koninklijk Huis kregen nieuwe namen, zelfs oranje bloemen zoals afrikaantjes en goudsbloemen werden verboden! Desondanks hing er bij ons in de woonkamer altijd een portret van koningin Wilhelmina, versierd met een oranje lint!’’, zegt ze ferm. Er klinkt trots in haar stem.

Op 16 februari 1945 schrijft Dubbeldam: We hebben er een nieuwe angst bij. Op nog geen twee km van ons huis hebben de Duitsers in het bos een startbaan voor de V1 gebouwd. Bij bedekte lucht als er geen Engelse vliegtuigen in de lucht zijn worden daar projectielen afgeschoten, uit ons slaapkamerraam kunnen we de vlammen uit de raketten zien. Veel van die dingen gaan niet goed op en storten in de omgeving neer. Het afvuren gaat met harde knallen gepaard, die ons voortdurend in spanning houden. We liggen veel wakker ’s nachts en zijn pas gerust wanneer het projectiel weg is. In Almelo valt er eentje op een boerderij, waarvan men nadien zo goed als niets terugvindt. Op het station staat een loskraan die ’s avonds en ’s nachts de projectielen lost die per trein aangevoerd worden. Speciaal ingerichte vrachtwagens vervoeren ze naar de startbaan. Bijna elke dag speuren Engelse vliegers naar de goed gecamoufleerde startbanen en werpen bommen af…”

De vrachtwagens staan Reini nog op het netvlies gegrift. Doodsbang waren, wanneer ze voor hun huis langs naar Delden reden. Het zijn de laatste dagen voor de bevrijding. Steeds vaker worden er ’s nachts mannen van hun bed gelicht om loopgraven en anti-tankgrachten te graven. Fietsen worden gevorderd en ook paarden en wagens worden weggehaald. De spanning stijgt met de dag. Tot er op 3 april twee soldaten gesignaleerd worden met tussen hen in de buurjongen!! Ze dragen geen Duitse helmen. Eindelijk vrij!

Noot

De foto op deze pagina is ter beschikking gesteld door mevr. Cohen-Dubbeldam

(–> naar PDF-versie van deze publicatie)

(–> naar Inhoudsopgave 2015-01)

(–> naar Boorn & Boerschop pagina)