Boorn & Boerschop 2015-01: Kleinigheden van grote waarde

Auteur: Gé Nijkamp

Onder de vele boeken die we rijk zijn, is een plank van enkele meters over de grote oorlog. Ze vormen een herinnering aan de donkere dagen die we nimmer mogen vergeten. Maar het dierbaarste daarnaast zijn me toch twee simpele voorwerpen, ook uit die tijd, als kleine jongen toen gekregen. Ieder zal er zo voorbij lopen: een blikken collectebusje en een spaarpot in de vorm van een zwart klompje. Ze bevinden zich op een plek waar ik vanaf m’n werktafel steeds het oog op heb en vele malen komen ze daags in m’n blikveld. Het eerstgenoemde bezit ik meer dan zeventig jaren; het andere ontving ik ongeveer tegelijkertijd, raakte het weer kwijt en na zeventig jaar kwam het op bijna wonderlijke wijze onlangs bij me terug. En zolang ik leef zal ik zorgen dat het nooit weer wegraakt. Over deze twee voorwerpen, waaraan ik begrijpelijk echt gehecht ben, gaat het volgende verhaal. Mogelijk hebt u het eerder van me gehoord, maar het is zó bijzonder dat ik het steeds weer zal herhalen. Ook deze maal dus.

De maand april van het jaar 1943 had het eerste groen aan boom en struik gebracht als een teken dat de lange, donkere winter eindelijk voorbij was. Ook gaven de voorjaarsbloemen weer kleur aan tuinen, velden en de bermen van de wegen. Maar de mensen die dat zagen, waren niet blij. Integendeel: door de straten van ons dorp reden al bijna drie lange jaren legervoertuigen met een vreemd teken op de flanken. Deels leek het op een kruis, maar toch heel anders dan het bij ons thuis in bijna elke kamer aan de wand hing. Als jongen van enkele jaren oud die de ernst van het leven nog niet kende, vond ik de langs marcherende mannen in hun uniformen, glimmende helm en laarzen een machtig mooi gezicht. Ze waren gelegerd in het Sint Jozef-gebouw aan de Ennekerdijk en dan op weg of kwamen terug van oefeningen die ze hielden op de brede grasstrook, waarover zich nu al jaren de Rondweg uitstrekt. Maar door de oorlog was de aanleg hiervan nabij de watertoren tot stilstand gekomen en stond de brede wegenbouwmachine te wachten op betere tijden.

Afb. 01: Izak Zilversmit. Foto: collectie gemeentearchief Borne, nr. 000389

De taal die ze spraken leek wel wat op het Twents dat onze moeder ons leerde, maar had zo’n vreemde, harde klank dat van hun toch een vreemde dreiging uitging. Dat begreep zelfs het kleine kind dat ik in die dagen was, maar als ze weer strak in het gelid voorbij kwamen en hun ’Ro-o-se-Marie!’ tegen de zwijgende gevels van onze buurt schalde, was ik dat erg gauw vergeten en groot was m’n verontwaardiging toen moeder me met – ’doar mö’j nich noar luustern! Dat zint lelijke leu!’ – aan de oren naar binen sleurde.Hoe konden zij die zó mooi zongen niet deugen? Kort daarop wist ik door wat heel nabij gebeurde wel beter.

In onze straat stond aan de overzijde het kleine huis van een oude man die ik ’opaatje’ noemde, hoewel hij dit niet was. Ik kende hem goed omdat hij soms bij ons kwam, altijd aan het begin van de avond als het buiten donker geworden was. In mijn herinnering zie ik nóg zijn gebogen gestalte in het lamplicht aan onze keukentafel zitten terwijl ik wat lager op de vloermatten speelde. De smalle schouders, zijn handen die het zorgelijk gebogen hoofd steunden en de verdrietige ogen onder de hoedrand. En de stem van m’n vader – die nooit een hoed droeg: ’Het kan almoal nog wa metvaln, buurman…’ Maar de oude man schudde langzaam z’n hoofd, mompelde iets dat ik niet begreep. Ook een kind voelt dan aan dat iets niet gaat zo het zou moeten gaan. Mijn vader zal vast ook zijn eigen woorden niet geloofd hebben en als hij zag dat ik m’n spel ongemerkt geëindigd had en nu stil toeluisterde, hoor ik hem nog aan moeder vragen: ’Hanna, möt de jong nich nöadig noar ber hen?’ Dat bleek waar te zijn en wat later viel ik met raadsels in slaap, werd vaak weer gewekt door het monotone geluid van vele vliegtuigen die tot diep in de nacht eindeloos overkwamen, terwijl ver weg afweergeschut goedmoedig gromde. Ik wist niet wat het was, maar je hoorde de naam dagelijks. Het waren vreemde dagen, ook voor een kind.

Afb. 02: Het collectebusje van ‘De Joodsche Invalide’ en de leesbril van de auteur. Beide voorwerpen liggen op het boek ‘Stolpersteine in Borne’. Op de kaft staan Izak Zilversmit en zijn vrouw afgebeeld. Foto: Gé Nijkamp.

Het moet in die tijd geweest zijn dat ik op een dag zag dat de buitendeur op een kier stond; ik was de waarschuwing van m’n moeder vergeten en glipte stil de straat op. Aan de overzijde stond onze oude buurman die me wenkte. Dit vond ik vreemd; niet dat hij me naderbij vroeg, maar dat ik hem voor het eerst in daglicht zag staan. Ik kende hem alleen in de donkere avond. Hij zei dat ik iets van hem zou krijgen, vatte me bij de hand en blij liep ik naast hem naar z’n kleine woning. Ergens vandaan nam hij een klein vierkant busje; iets dergelijks kende ik thuis als missiebusje waar je soms een cent in de gleuf in het dekseltje mocht doen voor de kleine kinderen in verre landen, maar door de omstandigheden was daar de laatste tijd weinig van terecht gekomen. Hij gaf me het busje, deed daar een zilveren gulden in en zei dat ik alles goed moest bewaren: ’Dan wö’j later riek. En ie’j kriegt dat umda’k meugelijk wied vot goa…’. Dat laatste hoorde ik bijna niet meer, want rammelend liep ik met m’n gekregen schat terug naar huis en liet ’t trots aan m’n ouders zien. ’Doar mag iej wa héél good op pasn! Ik zet ’t wa veur ’n bozem’, zei m’n moeder en plaatste ’t kleinood hoog voor de schoorsteenmantel. ’t Eerste dat ik elke morgen na ’t wakker worden en ook nog enkele malen daags deed, was een stoel aanschuiven om me te overtuigen dat ik nog steeds ’riek’ was. Daar was ik blijkbaar zo druk mee dat ik niet heb gemerkt dat ze hem hebben opgehaald; hij was een stokoude man van over de negentig jaren. Eén van de Joodse medeburgers die door de nazi’s en hun handlagers op 11 mei 1943 uit Borne zijn weggevoerd en in Sobibor een afschuwelijk einde vonden.

Als een herinnering aan deze oude buurman staat het kleine geschenk dat ik ooit van hem kreeg altijd onder oogbereik als ik daags aan m’n werktafel zit. In het schemerdonker zijn de Davidster en de woorden ’De Joodsche Invalide’ op enige afstand bijna niet waar te nemen, maar ondanks dát blijft het een klein monument, waar ik soms met gemengde gevoelens naar blijf kijken.
En de kleine metalen plaat, bijna niet opvallend tussen de stoepstenen voor zijn vroegere woning (nu Watertorenstraat 7), vertelt in sobere woorden het verhaal Izak Zilversmit; een levensverhaal dat in 1852 in Twente begon en negentig jaren later in een ver, vreemd land zo wreed zou eindigen…

Oorlog doet vele mensen alles verliezen, soms zelfs hun leven. Doch ik ben in genoemde oorlog alleen maar rijker geworden. Niet dat ik de gekregen zilveren gulden nog bezit, maar het vierkante metalen trommeltje is al ruim zeventig jaren een trouwe metgezel. Soms raakten we elkaar in de jonge jaren wat uit het oog, maar altijd kwam ik het weer in een hoekje tegen en al vele jaren heeft het een ereplaats tussen onze boekenkasten gevonden.

Afb. 03: Struikelsteentje voor Izak Zilversmit, gelegen voor de woning Watertorenstraat 7. Foto: Gé Nijkamp

Een andere bijzonderheid, ook tijdens de oorlogsdagen gekregen vormt een heel ander verhaal waaraan een groot raadsel kleeft dat wel nimmer zal worden opgelost. Omdat overal, vooral aan de andere zijde van ons bezette land grote schaarste heerste en alles op fraai gekleurde bonnen, zodat ze moeilijk konden worden nagemaakt. Toch waren sommige mensen vindingrijk in deze vervalsing voor de goede zaak. Ook heb ik zonder te weten wat dit was meermalen ’zwarte handel’ horen noemen, maar wat ’clandestien’ was wist een kind niet. Wel stonden op de deel van het ouderlijk huis dat ooit café, kruidenierswinkel, bakkerij en boerderij was en nu als berging werd gebruikt, een aantal konijnenhokken waarin ’Vlaamse reuzen’, een naam die ik soms hoorde, al mummelend vrolijk rondhuppelden. Maar de morgen erna was het in dat hok vreemd stil en bij toeval ontdekte ik in een donkere hoek iets dat op een konijn leek, maar doodstil aan een spijker hing. Toen ik naar dit raadsel vroeg werd me met een felle tik het zwijgen opgelegd en wijs geworden heb ik hier nooit weer over gevraagd. Maar hield wel dit vreemde gedoe goed in de gaten en werd voor een deel wat duidelijk. Soms had m’n vader vergeten de jutte voor de schuurramen tegen inkijk weer op te ruimen en als ik dit aan moeder zei, haalde ze alles haastig weg met: ’Wie’j mött van de mofn alns verduustern.’ Maar langzaam vormde zich het beeld ’dat völ zaakn gen daglecht könt verdreagn…. En dat is nog altijd zo!

Ik droeg het geheim als een deelgenoot met me mee, hoewel ik natuurlijk lang alles niet wist. De lugubere verzameling in de verborgen hoek groeide en ook in de konijnenhokken was iedere keer weer voor een wonder gezorgd en dartelden kleintjes door het stro. En zo nu en dan verscheen er een grote zwarte man bij ons. Op de deel werd wat afgehandeld, aan de keukentafel betaalde hij aan m’n vader wat geld en zat ik ademloos toe te kijken. Wel had ik soms de naam Zwarte Piet horen noemen, maar deze nog nooit gezien. ’De mofn wilt nich hemn dat Sinterkloas hier met de stoomboot hen koomp’, zei m’n vader. Ik wist ook niet wat een stoomboot was, wél hoe een schimmel er uit zag. Maar die had hij hier dan blijkbaar ook niet nodig.

Op een dag toen er weer wat afgehandeld was en afgerekend werd, vroeg m’n vader daardoor goedgemutst plots aan mij: ’Gerrad; hoo heet den meneer?!’ En met ’n hoog stemmetje riep ik de naam die ik tussen m’n ouders soms hoorde noemen: ’Menthol!!’ ’Bravo, jongen!’ zei de bijzondere man, ’bravo, jij krijgt iets moois van mij!’ Hij streek met zijn zwarte handen over m’n bolletje, lachte breeduit en ik meende in de gauwigheid gouden tanden te zien. Ook dat was vreemd voor mij. Toen hij de deur uit was, ben ik direct op ’n stoel geklommen om me in de spiegel te overtuigen dat m’n haren niet van kleur waren veranderd. Door het raam kijkend zag ik hem een zak achter op de fiets knopen en in de richting ’Hengel’ verdwijnen. Een naam die genoemd werd als het leek of het in de verte onweerde, maar ik wist niet wat bommen waren. Kende alleen vaag hun naam. En in onze schuur was na zijn vertrek altijd alleen nog een lege spijker. De volgende maal dat hij weer verscheen, haalde hij uit één van z’n zakken een kleine spaarpot in de vorm van een zwart klompje dat aan een haakje op een muurplankje hing. Er stonden zeven letters op, maar ik kon natuurlijk nog niet lezen. Ik was er blij mee, het werd opgehangen en hij verdween zoals altijd: met een zak op de fiets.

Afb. 04: Joseph Silvester, bijgenaamd ‘Mentho

De oorlog sleepte zich voort en in de loop van 1944 vertrokken we naar het ouderlijk huis van onze moeder in ’Soasel’. Maakten daar ook de bevrijding mee die op m’n verjaardag plaats vond, op de dag dat ik zes jaar werd. Kort daarna mocht ik met vader achter op de stotende fiets met massieve banden mee naar Borne om te zien hoe alles in het dorp er bij stond. Wat ik nooit vergeet was nabij de Hoge Brug in het weiland van Wieldiek de torenhoog opgestapelde benzinevoorraad van het oprukkende bevrijdingsleger: vele duizenden metalen jerrycans in verschillende kleuren, met rijpaden ertussen voor laden en lossen. Ook op wacht staande soldaten, van alle kanten er om heen. Een indrukwekkend gezicht!

Er had tijdens ons verblijf in Saasveld een familie uit Hengelo in ons huis gewoond en… o wonder! Het klompje dat ik vergeten was mee te nemen, hing nog op dezelfde plek. Nog steeds leeg, want tijdens een oorlog zijn er andere zorgen.

Kort daarna meldden zich enkele Engelse soldaten met papieren, vergezeld van een Nederlandse tolk die onze (lege) klompenwinkel opeisten voor huisvesting van bevrijders. Dit gebeurde ook met de schilderswerkplaats van Linthorst aan de overkant van de straat. Overal in het rond stonden tanks en voertuigen, liepen militairen heen en weer en in de boomgaard van het boerenhuisje van ’Kluutn-Hein’ (Groothengel) stonden groene legertenten. Hier was ook een grote vierkante waterput van de vroegere melkfabriek aan de Ennekerdijk en op het van twee kanten oplopende houten forse deksel zat een aantal soldaten zich met ingezeepte gezicht te scheren; een karwei waar men door dagenlange gevechtshandelingen rond het kanaal niet aan was toegekomen. Nu heerste er een uitgelaten stemming onder deze toiletmakers, wat natuurlijk erg begrijpelijk was. Op de deel van de toekijkende Hein was een gaarkeuken ingericht; de geur van corned beef, ham and eggs verspreidde zich en onder de voor de niendeur staande kastanjeboom vormde zich een grote hoop blikken waaruit de koks hun waren tevoorschijn haalden. Deze werden weer ingezameld door Nederlanders die er wel brood in zagen en meer… Ik weet ook nog dat er MP’s verschenen die enkele van die mannen bij zich hadden en ik hoorde de ’grote mensen’ tegen elkaar zeggen dat deze méér dan lege blikken hadden meegenomen. Door de omheining van onze tuin konden we dat alles mooi waarnemen, want we mochten daar niet alleen naar toe. Ook niet naar onze gasten die in stapelbedden ingekwartierd waren. Enkele daarvan kwamen als wij naar bed waren soms even buurten bij onze ouders, maar veel zal er wel niet gesproken zijn door gemis aan taalkennis van beide zijden. Maar op een morgen zei moeder tegen me dat Tom Mc Arthy – een van hen, graag mijn klompje zou meenemen als ’souvenir’. Ik natuurlijk in vuur en vlam! ’Geew’t em toch! Iej kriegt wa ’n kleumpke wier!’ Ik weigerde koppig. Maar toen hij enkele dagen later bepakt en klaar voor vertrek om verder Duitsland in te trekken het in een voor mij onbegrijpelijke taal zelf aan me vroeg, heb ik het afgegeven. Maar keek wel met tranen in de ogen de door de buurt toegezwaaide grote groene legerwagens bij hun verdwijnen na… Een ander ’kleumpke’ heb ik nooit gekregen, maar ik had er ook niet op gerekend.

Nu, zeventig jaar na wat toen gebeurde, deed zich enkele maanden geleden het volgende voor. De onverwachts bij me binnenlopende Leo Leurink haalde uit één van z’n zakken een zwart klompje tevoorschijn en vroeg: ’Ken iej dit?’ Ik antwoordde ontkennend, zag wel op het spaarpotje HENGELO staan, maar dat maakte niets duidelijk. ’En dit dan?’ Uit een andere zak verscheen het bijbehorende muurplankje met haakje. Ook dit maakte niets duidelijk. ’Het is wa van oe, kiekt d’r mer achterop.’ Omgedraaid zag ik meteen onmiskenbaar in het handschrift van m’n vader staan:
G Nijkamp Ennekerdijk 27 Borne. Wel iets beschadigd, maar duidelijk in de letter waarmee hij ons schoolrapport als bewijs van ’gezien’ tekende. En wat opviel: huisnummer ’27’, dat onze woning droeg tot rond de vijftiger jaren van de vorige eeuw toen het ’38’ werd.

Afb. 05: De kleine spaarpot in de vorm van een klompje. Foto: Gé Nijkamp
Afb. 06: Het handschrift van vader Nijkamp op de achterzijde van het houten plankje. Foto: Gé Nijkamp

(–> naar PDF-versie van deze publicatie)

(–> naar Inhoudsopgave 2015-01)

(–> naar Boorn & Boerschop pagina)