Boorn & boerschop 2015-01: De winkelhaak

Auteur: Henk ten Thije

We woonden aan de Stationsstraat nummer 30 in Borne. Een winkelpand naast de meubelzaak Huiskes, nu Alkoof. Het pand waar wij woonden, werd later door Huiskes gekocht en bij zijn zaak aangetrokken. Aan de andere, de ‘Deldense’ kant, was een brede gang en dan kwam de winkel en werkplaats van Follie Stubbe, een rijwielhandel. In dit pand zat later Bloemenmagazijn ‘de Anjer’ en op dit moment de dierenspeciaalzaak ‘Jumper’. Aan de overkant ‘het badhuis’. In onze winkel was niets meer te koop. Mijn vader had, door gebrek aan aanvoer van textiel, de koper niets meer te bieden. De winkel stond leeg.

Het was 3 april 1945, de dag van de bevrijding zoals later bleek, dat mijn vader en moeder in de keuken met zorgelijke gezichten uit het zijraam keken, richting Delden. Boven de werkplaats van Stubbe zag ook ik toen dat dikke rookwolken opstegen naar de hemel. Ik hoorde mijn vader zeggen: “De Refined staat in brand, nu kan het niet lang meer duren”. De Refined was een oude leegstaande fabriek direct over het spoor, waarin de Duitse Wehrmacht allerlei rijdend materiaal had opgeslagen.

Afb. 01: Ben (links) en Henk ten Thije

Behoedzaam gingen mijn ouders naar de woonkamer, die direct achter de winkel lag en schoven de suitedeuren, die de winkel van de kamer scheidden, voorzichtig enkele centimeters van elkaar. Zo konden we via de grote etalageruit direct op de Stationsstraat kijken. Wat we zagen verhoogde de spanning bij mij en bij mijn ouders. Bij die spanning was ook een zweem van hoop, want nu kon het niet zo lang meer duren, had mijn vader immers gezegd.
Wat we zagen: Duitse soldaten met asgrauwe gezichten, sommigen met de pantservuist over de schouder, haastten zich te voet of op de fiets richting Stephanuskerk. Op de vlucht? Het geluid van zwaar geschut, dat we al dagen hadden gehoord vanuit de richting Delden, kwam dichter bij zo leek het.

Afb. 02: In geel aangegeven de locatie van de woning Stationsstraat 30

Mijn vader schoof de suitedeuren voorzichtig weer tegen elkaar en zei op zachte maar beslissende toon: “We gaan in de kelder”. Zo daalden we, mijn moeder met mijn kleine broertje Ben en ik als de oudste zoon (7 jaar) en mijn vader de trap af en de diepe kelder in. Dat deden we meestal als er gevaar dreigde en dan moesten we op last van mijn vader plaats nemen onder een zware ijzeren balk, die in de lengte door de kelder liep. Recht tegenover ons, op ongeveer 2.50 meter hoogte, bevond zich een flink kelderraam met dikke verticale tralies dat uitkeek op een smalle gang tussen de winkel van Huiskes en ons huis. Achter ons de vele planken met hier en daar nog een gevulde weckfles. Het was er bijna donker en koud. Wachten was het parool. Meermalen klonken zware voetstappen door het smalle gangetje. Af en toe geschreeuw en steeds dat geluid van zware explosies in de verte. Soms kwam er een groot donker gezicht voor het kelderraam en werd er iets geroepen. Mijn vader vroeg dan zacht: “Wat spreken ze, Duits of Engels?”

Afb. 03: Advertentie in de Bornsche Courant medio oktober 1939 van aanbod in de textielwinkel van vader Ten Thije. Toen gingen de zaken nog goed. In de oorlogsjaren is er steeds minder te verkopen en uiteindelijk staat de winkel leeg

Daar moest ik het antwoord op schuldig blijven, want als kind schrik je bij voorbaat al van schimmen en grote hoofden langs een kelderraam gezien vanuit een donkere kelder. Mijn moeder werd, na een paar uren, ongeduldig en wilde de kelder uit om te zien hoe de toestand was. Met groot fanatisme lukte het me enige keren om haar tegen te houden en mijn vader was bondgenoot in dezen.

Na een aantal uren, toen ik bijna zeker wist dat ik Engels hoorde spreken, was mijn moeder niet meer te houden. Voorzichtig opende ze de kelderdeur en keek door de keukenramen naar buiten. Op datzelfde moment kwam buurman Follie Stubbe in een prachtig donkerblauw kostuum, de poort in, bij ons achter het huis. Mijn moeder en hij waren gelijktijdig bij de achterdeur en toen mijn moeder de deur geopend had sprak hij de historische woorden die ik nooit vergeten zal: “Buurvrouw komt t’r toch oet alns is a oranje”.

Mijn moeder bedenkt zich geen seconde en dol van vreugde springt ze buurman Stubbe om z’n nek, kust hem spontaan en trapt hem en passant een winkelhaak van 10 bij 10 centimeter in zijn mooie donkerblauwe kostuum. Buurman Stubbe had dit kostuum in het begin van de oorlog gekocht en had altijd gezegd: “Op de dag van de bevrijding doe ik dit aan”. Uitgerekend op die dag trapt mijn moeder er een winkelhaak in.
Op straat gekomen zagen we vrolijke mensen met oranje getooid. We zagen geallieerde soldaten met gigantische vrachtwagens en tanks en de soldaten waren vriendelijk. Die avond sliep ik in met een vreemd gevoel. Alles wordt anders had mijn vader gezegd.

De volgende morgen werd ik vroeg wakker door het geluid van voorbijtrekkende tanks en ander materieel. We kleedden ons snel aan en plaatsten een aantal stoelen in de lege etalage van mijn vaders textielwinkeltje. Daar hebben we gezeten, vele uren lang. Mijn moeder, broer Ben en ik. Dat moet een komisch gezicht geweest zijn vanaf de straat, een moeder met twee kinderen in een lege etalage.

De soldaten waren aardig en zwaaiden. Enkelen brachten ons zelfs chocola in blikken doosjes. Waarschijnlijk is mijn liefde voor chocola daar ontstaan…….

Afb. 04: Vergelijkbaar tinnen blikje dat in april 1945 door de Engelsen werd uitgedeeld. Het blik dat Henk kreeg, heeft zijn moeder nog jarenlang gebruikt als knopendoosje

(–> naar PDF-versie van deze publicatie)

(–> naar Inhoudsopgave 2015-01)

(–> naar Boorn & Boerschop pagina)