Boorn & Boerschop 2013-03: Wonen en werken op de Meijershof in de 18de eeuw

Auteur: G.A.B. Nijhuis

Is er geen ander onderwerp waarover je een artikel kunt schrijven? Zijn er lezers die een verhaal over een schuur welke tot woonhuis wordt veranderd, belangrijk vinden? Wordt dat anders als deze behuizing op een belangrijk erf bij Borne heeft gestaan? Kan zo’n verhaal iets over de geschiedenis van zo’n erf en eventuele toenmalige bewoners vertellen? Over het algemeen gaan genealogen op zoek naar de namen van hun voorouders. Velen weten niet dat naast de plaats waar ze woonden, hun geboortedatum, huwelijksdatum en sterfdatum, ook nog veel meer gegevens te verzamelen zijn.

Als je als regelmatig bezoeker van archieven oude documenten leest, bestudeert en de gegevens verzamelt, dan kom je – over boerderijen gesproken – veelal dezelfde soort gegevens tegen. De meeste gaan o.a. over het eigendom/bezit, over koop en verkoop, over het niet kunnen betalen van de pacht, over reparatie van het huis en de bijgebouwen en over de bewoners. Verder over geschillen over de bovenstaande onderwerpen, welke uitgebreid kunnen worden als het over personen gaat. Personen die iets hebben gezegd, gedreigd, zich bezittingen van anderen hebben eigengemaakt en/of mensen bij ruzies hebben verwond. Wat mij het meeste interesseert, is te weten te komen waar en hoe, onder welke omstandigheden mijn/onze voorouders hebben geleefd. Mijn voorouders zijn niet van dit erf afkomstig. Mijn “roots” liggen in Hengevelde/Bentelo.

Soorten bebouwingen op een erf

Ongeveer 90% van de inwoners (in Twente) woonden drie eeuwen geleden op het platteland. Al deze mensen moesten leven van de voedselopbrengsten van de grond van het boerenerf waarop ze woonden. Dat dit vaak sterk tegenviel, blijkt uit vele meldingen van misoogsten, oorlogen en diefstal. Om in leven te blijven moest (los)werk worden verricht (per dag verhuren) of een ambachtelijk beroep worden uitgeoefend. Nagenoeg elk gebouw kon dienen voor huisvesting en beroepsuitoefening van vele beroepen.
Bijna alle woonruimte stond te boek als “huis”, ook al was het soms nog zo schamel, had het eigenlijk een andere functie. De gebouwen en bouwwerken van allerlei aard werden bewoond door gezinnen en ongehuwde mensen, die de verderop en omliggende grond bewerkten om voedsel te verkrijgen. Velen bleven dan ook zoveel mogelijk op of in de nabijheid van het ouderlijk erf wonen. Omdat er veel hout naar Holland ging, vertoonden bouwsels veel gebreken. Naast gebrek aan voldoende voedsel waren dus ook de woonomstandigheden erg slecht.

Grote concentraties mensen op één erf werden veroorzaakt door de grote bevolkingsexplosie in de tweede helft van de 18de eeuw. Op een redelijk groot erf kon men aantreffen: het erfhuis, een lijftucht op afstand, een bakhuis (tevens bierbrouwhuis), schuren en schoppen. De Meijershof(1) had ook nog een spijker, een opslagplaats van graan, zijnde de pacht van de onderhorige erven van de vroegere bisschoppelijke Hof Borne.

Het gezin van de hofmeijer

Op de Meijershof woonde het gezin van Herman Helmig. Hij is in 1730 gehuwd met Anna Theders. Bij de volkstelling van 1748 staan zijn dan nog in leven zijnde kinderen vermeld: Gesina ouder dan 10 jaar, Anna, Griete en Helena waren nog geen 10 jaren oud. De kinderen Berent, Jan en Geertruyd, allen boven de 10 jaar, vertoefden in 1748 “buitenlands” (=buiten Overijssel). Ook woonden een redelijk aantal knechten en meiden op het erf. Tussen 1730 en 1748 zijn uit dit echtpaar 12 kinderen geboren(2), waarvan er dus veel op jonge leeftijd gestorven moeten zijn. Dochter Gesina trouwde met Bernardus ten Mars. Geertruyd trouwde niet en zal de klop geweest kunnen zijn. In 1762 zegt Herman vier dochters te hebben.
Berent en Jan zijn beide mogelijk vóór juni 1766 al overleden. Griete huwde Jacobus Holling op Eenhaus in Bramsche.

Anna Walburgis (geb. 1739) trouwt op 28 juni 1766 met Georgius Lucas Eenhuis en blijft als erfdochter op het erf wonen. Antonie Lucas Eenhuis, zoon van Anna en Georgius, koopt op 28 augustus 1829 de rechten van het Domein op de Meijershof, bestaande uit drie huizen, een schuur, een schoppe, een (bier)brouwerij, land, bomen en het recht (van plaggenmaaien, turf, hout en veedrift) in de marke, alsook het erf Broekhuis in Bornerbroek, bestaande uit een huis, een wondershuis, een schuur en land(3).

De gebouwen op de Meijershof

Laten we bijvoorbeeld uitgaan van de situatie rond 1750 op de Meijershof. Een beetje fantaserend kun je een beeld oproepen. Wat zien we als we in die tijd, uiteraard lopend of met paard en kar, de Meijershof naderen? Waarschijnlijk allereerst de bewoners, bij vele “Boornsen” bekend. De boerin en een dienstmeid zijn in de moestuin voor het huis aan het werk. De ‘grote’ knecht komt met een volbeladen wagen met gestoken heideplaggen thuis. De ‘kleine’ knecht is een pas omgeploegd stuk bouwland aan het eggen. Een nog zeer jong ventje loopt op afstand op de gemeenschappelijke markegrond varkens te hoeden. Verder zijn werktuigen, karren en wagens, opslagplaatsen, dieren en beplanting te zien, in de vorm van veel (eiken)bomen, jong en oud. De hofmeijer zelf heeft bezoek, hij staat bij een schuuringang te praten met een aantal boeren uit Zenderen en Bornerbroek.

Afb. 01: Zijwand van een schaapskooi in Hezingen. Van onder naar boven: vakwerk met baksteen op veldkeienvoet, vakwerk met leemvulling en strovlechtwerk. Bron: Boerderijen in Twente, geschreven door H. Hagens. Uitgeverij Matrijs, Utrecht

Ook de gebouwen vallen op: het erfhuis, de schuren en de schoppen en het lijftuchthuis. Bijna al deze gebouwen zien er identiek uit: vakwerkmuren met het okerkleurige “wand” gevuld met vlechtwerk van buigzame takken tussen verticaal geplaatste staken volgesmeerd met een mengsel van klei, (verschraling door zand toe te voegen), mest, stukjes hooi en/of stro en haren, als vulling voor de muren toe te passen. Mogelijk dat de onderste vakken van een gebouw als de spijker, al waren voorzien van baksteen. Was dit het geval, dan rusten deze muren soms op een fundering van Bentheimer zandsteen, maar ook zo op de grond (=kleine veldkeien). Gebouwen waarin goederen gedroogd moesten worden, hout- en turfschuren, hadden andere “muren” (planken en sleten (=ronde stammetjes)). Onbekend of er op het dak al gedeeltelijk pannen zaten, de meeste boerderijen hadden “dak op ‘t hoes” (=stro).

Afb. 02: Spieker in Oldenzaal. Bron: Boerderijen in Twente, geschreven door H. Hagens. Uitgeverij Matrijs, Utrecht.

De spijker (van spicarium: spica=graan), die meestal vóór het huis stond, had in 1734 al baksteen in de muren. Spijkers hadden al zeer vroeg bakstenen muren; zij gaven enige bescherming ten tijde van oorlog en waren opslagplaatsen van granen. Ze moesten, dicht bij het erfhuis staande, dus tegen een stootje kunnen. Of deze spijkers allemaal een watertje (gracht) als bescherming hebben gehad is onbekend. De spijker op de Meijershof was wel omgeven door een grachtje. Het grootste gebouw was het erfhuis, waarin naast alle mensen ook (een deel van) het vee een plek vond.

Hoe zagen deze gebouwen eruit?(4) De stevigheid werd al eeuwen gevormd door het “vierkante werk”, van dik eikenhout. Dit was samengesteld uit staanders en leggers (stijlen en ankerbalken), met overig hout verstevigd tot een hechte constructie. Van buiten zagen ze er bijna allemaal gelijk uit en waren bijna allemaal identiek gebouwd. Op grote veldkeien stonden de houten stijlen/staanders. Op de plaats waar, zowel binnen- als buitengrondhout moest komen te liggen, werden veelal veldkeien in diverse groottes gebruikt. Toen gedurende de 18de en 19de eeuw de boerderijen in plaats van buitengrondhout de Bentheimer steen als fundering werd gebruikt, waren veel veldkeien overbodig geworden. N.b. de fundering zat aan de omtrek van de boerderij. Naast het gebruik van grote veldkeien als constructie, werd voornamelijk hout, stro en heide (topgevel) als bekleding toegepast. Zag je een fundering van Bentheimer zandsteen, dan zag je ook vaak baksteen toegepast. De Bentheimer steen verving het aan sterke rotting onderhevige hout dat maximaal zo’n 25 jaar meeging. De toepassing van deze steensoort leidde tot veel vraag o.a. ook voor schuren, lijftuchten en bakhuizen. Baksteen kon namelijk direct houvast vinden op de zandstenen fundering. Meestal waren dan de onderste vakken “versteend”.

Het erfhuis

Meer bouwkundige gegevens die ons zicht geven op hoe het erfhuis er uit zag worden vermeld in de houttoewijzingen tussen 1751-1782. Op zoek naar toewijzing van hout voor reparatie van bouwsels op de Meijershof, bleek geregeld hout toegewezen te zijn. In de 18de eeuw zijn er diverse summiere aantekeningen door de overheid gemaakt van leveranties van hout, die ons enig zicht geven in geleverde materialen. Aan de hand hiervan zag je als het ware voor je, hoe de indeling van het innerlijke van het gebouw er uit zag.

Het huis was zeker in die jaren nog een “los hoes”. Het Statenarchief(5) geeft over de periode 1751 tot 1782 houtaanwijzingen door de houtvester tot reparaties van de erven. Voor de hofmeijer van Borne zijn dit:

  • 1751 beuken planken bij de schoorstenen en eyken binnengrondhout
  • 1753 3 eykenstammen die bijna heel soor sien om den hof te vreeden (=omheinen) en de gepote telgen voor het vee te bewaren (=beschermen).
  • 1755 40 voet planken mits hij wel weder pote (=12 mtr lengte met een bepaalde breedte).
  • 1759 binnengrondhout (=in het huis) en een oude beuke boven de telgen staande (=vanaf het huis gezien, achter de telgenkamp).
  • 1763 grondhout voor de stallen en onder de schoppe
  • 1769 hout tot kleine reparaties
  • 1771 tot platen (=horizontale balken over de gehele lengte van het bouwsel, op de koppen van de stijlen (staanders) waarop de sporen van het dak staan en de oplangen van de afkubbing worden vastgespijkerd) op de schure, grond hout voor de peerdestallen en reparatie aan de gevel van het huis.
  • 1772 tot nodige reparatie en vertimmeringe van de schoppe van 5 gebond, moetende de oude ge-examineerd worden wat er nog bekwaam van is, alsmede het hout tot een breed vonder (=loopbrug met aan één zijde een leuning) of smal bruggetje na den hof (=de geheel door een redelijk breed water omgeven tuin (groente en bloemen)).
  • 1775 een (nieuwe planken) gevel voor het huis en waskamer (was dat een uitbouw?) en grond hout voor de stallen.
  • 1781 grondhout tot de paarden- en beestestallen, tot somers (=dragende balken) onder d’opkamer (vloer) met de nodige planken, de reparatie aan de waskamer en ribben onder de (houten) vloer van de kookkamer”. Zo heeft de hofmeijer in 1781 hout gekregen om een nieuwe vloer in de opkamer te laten timmeren. Zo’n vertrek (met kelder er onder) zat dus al járen in de boerderij. Niet veel Twentse erven hadden in de 18de eeuw een kelder met opkamer. Deze opsomming bevat geen hout dat gebruikt zou kunnen zijn voor een bouwwerk.
Afb. 03: In de 18e eeuw was het erfhuis op boerenerven een “los hoes”. Op deze foto is het woongedeelte van het ‘”los hoes” van erve Zeilker in Zenderen afgebeeld. Bron: Gemeentearchief Borne. Fotocollectie nr. 011191

De lijftucht

De lijftucht was een klein boerderijtje, waarop de hoofdbewoner ging wonen als hij het erf overdeed aan zijn zoon/dochter. Hij had dan nog het recht op het 1/9 gedeelte van de opbrengst van het hoofderf, voor “leeftocht” (voedsel), voor zijn “lijfsbehoud”.
Rond 1550 mocht op de erfgrond maar één lijftucht staan. Eerst de marken, later de overheid hielden zo de vinger aan de pols om te zorgen dat zij de bevolking aan voldoende voedsel kon helpen. Een lijftucht werd vaak, als de bewoners (de vroegere erfverlaters) waren overleden verhuurd, maar kon ook voor woning van een klop dienen. Een andere huisvestingsmogelijkheid was de bovenkamer. Deze verschenen voornamelijk in de tweede helft in de 18de eeuw en zal zeker te maken hebben gehad met de behoefte aan woonruimte vanwege de bevolkingsexplosie in de 18de eeuw.

In Bornerbroek bezat de hofmeijer, als privébezit, ook het erf Broekhuis (in elk geval al in de 16e eeuw). De hofmeijer had ter bewoning dus de keus uit de lijftucht op zijn erf of het erf Broekhuis. Viel de keuze op het Broekhuis, dan was op het erf de lijftucht te verhuren.

Over het aantal gebouwen waarin normaliter gewoond werd, dat op een gewaard erf (=met diverse rechten in de marke), dus ook op de Hof van Borne mocht staan, zijn al verordeningen te vinden in 1554. Het markenboek van Albergen zegt in dat jaar dat op een gewaard erf naast het “eygenlyke huys” alleen nog het lijftuchthuis voor de ouders mag staan. Ditzelfde gegeven wordt ook aangetroffen bij de Drie-schichtige marke (=Mander, Vasse en Hesingen) (1571), de marke Lonneker (1657), de marken Woolde, Oele en Driene (1670) en de Lutte (1721). Het bewonen van een lijftuchthuis, anders dan door de ouders, was dus tegen het markerecht. Het Markenboek van Woolde, Oele en Driene verwoordde dit als volgt “dat op een volgewaard Erve niet meer als een huys en Lijfftocht sall mogen sijn en geen ander wohnen als op het Erve gebooren off aen een geboorlinck getrouwt”(6). Op 26 september 1696 had de toenmalige regering van Overijssel (Ridderschap en Steden) besloten een commissie tot wering van lijftuchthuizen in te stellen: “De Heer Drost van Twente en Heer van Coevorden tot Hengelo worden versogt en geauthoriseert een project te formeren, in welcke voegen de lijftuchten in Twente (‘t) best geweert souden kunnen worden(7).

Klopjes en klopjesbehuizingen

Klopjes, ongehuwde vrouwen, soms nog meisjes, maar ook – vaak op leeftijd – en weduwen, woonden veelal in een aparte behuizing op geringe afstand op het erf, omdat ze familie waren. Veel bewoners van Twentse erven hadden een klop op het erf wonen. Tijdens de reformatie, tussen 1600 en 1650, zijn de kerkelijke bezittingen door inbeslagname aan de Staten van Overijssel gekomen en werden tot domeingoed verklaard. Vanaf die tijd was alleen de openlijke uitoefening van ”de ware christelijke religie” (de gereformeerde godsdienst) toegestaan. Dat er toch ondanks het verbod van uitoefening van de godsdienst aan andere gezindten, de hofmeijer toch vergunning kreeg om voor één van zijn dochters, een klop, een schuur tot woonhuis te verbouwen, zegt iets van de tolerantie. Zij was meestal familie en maakte zich verdienstelijk om de RK godsdienst “in leven” te houden. Om zelfstandig (op het erf) te kunnen wonen moest er plaats zijn c.q. worden gemaakt. Dit kon zijn in de bovenkamer of in een apart gebouw op het erf. Het betreft dan meestal een tante/zus en later (in dit geval) dochter van de hofmeijer. Niet vermeld staat of deze klop ten eerste uit eigen wil of ten tweede ongehuwd bleef omdat er geen huwelijkskandidaat te vinden was, ten derde om een andere reden (lichamelijk/geestelijk gebrek) of ten vierde de ouders het best vonden; dan hoefde er geen bruidschat te worden meegegeven. Voor een “tootast” op de boerderij van haar ouders kreeg ze steun en wanneer nodig opvang door haar familie. De hofmeijer op de Hof Borne heeft, om familie in dit geval een kind, op het eigen erf te kunnen laten wonen, te maken gehad met voorschriften.

Afb. 04: De zogenoemde “Kloppenkamer” op de Meijershof. Bron: Boerderijen in Twente, geschreven door H. Hagens. Uitgeverij Matrijs, Utrecht

Van schuur tot kloppenhuis

In 1734 ontving de hofmeijer toestemming om twee bouwsels tot kloppenhuis te kunnen verbouwen. Hij kreeg Bentheimer zandsteen voor de fundering en hout.

De hofmeijer diende in 1762 opnieuw een verzoekschrift in om bouwmaterialen ten behoeve van een kloppenhuis, terwijl hij wist dat hij nul op zijn rekest zou kunnen krijgen, omdat normaliter alleen voor het erfhuis hout tot reparatie werd verstrekt/aangewezen/vergoed(8). Eigenlijk kon de hofmeijer geen beroep doen op materiële hulp. Dit echter kreeg de hofmeijer omdat hij een gehoorzame, goed oppassende meijer was en zo bij de overheid wel een potje kon breken. Ik neem aan dat de bouwmaterialen bestemd zijn voor een ander gebouw dan dat in 1734 gerepareerde. Door houtschaarste, ontstaan door de verkoop van veel hout door Ridderschap en Steden, gebruikt voor stedenbouw in Holland en schepen voor de VOC en WIC, slonk ook de houtvoorraad in Twente. Hierdoor was er niet voldoende hout beschikbaar voor het onderhoud (vervanging) van gebouwen op Twentse erven. Verzocht een boer om hout, dan werd in de maand november door de houtvester rapport opgemaakt en na ruggespraak met de Staten, meestal via de landrentmeester besloten “om het nodige hout” vaak staande op een ander dan het eigen erf, toe te wijzen. Deze bomen moesten dan vóór 1 mei van het volgende jaar zijn gekapt. Vond dit niet vóór 1 mei plaats, dan verviel de kapvergunning en dus ook het recht op dat hout. Voor hout tot reparatie van “schoppen, schuren, bakhuysen en lijftuchten” was de boer dus normaliter zelf verantwoordelijk en moest dit zelf kopen en betalen. Het noodzakelijke onderhoud werd dan ook vaak uitgesteld en/of gebeurde zeer provisorisch. Na 1761 kreeg de erfbewoner benodigd hout voor de andere bouwsels dan zijn woonhuis (omdat de materiële toestand van de gebouwen erg slecht was?), afhankelijk van de “welstand”, geheel of gedeeltelijk vergoed. Meermalen kwam het voor dat “soor hout” (=dor en dood) werd aangewezen bijvoorbeeld tot sporen voor het dak (omdat deze toch maar weinig te lijden hadden?).

Het verzoek van de hofmeijer

Myn heeren Hoch Edel geborne Heeren, mijn heeren ordinaris Gediputeren uyt de staten van de profinsi van overrissel. “De hofmeijer tot borne komt met aller onderdanigheit voor te dragen hoe dat hij eine oude verfalende schuere heft ertittes (eertijds) gebruiket heft tot het gebruek van het sogenamde lieftuges garef hues, dewelcke in gene denckelick yaren getimmert is en nu reets verfallen, en versoeke seher onderdaniglick dat mijn heeren so guet gelife te wesen en mij so vele hout door de holtfester lattet an te wiesen groet fier gebunt lanck 36 foet en de balkies van 18 foet om daar eine kleine woeninge van te maeken, omdat ick hebbe fier dogters war fan de ene is gestelick en ser hope van de ander ock in ene son stat te komen om die de tit hares levenslang moegen in woenen, en als dan weder tot het garfhues mag gebruicket worden, en fersoeke der halfen seher onderdanigheit om mij het selve moegen tuestan, en fersucke derhalfen nochmals hier bey geliefen te permitteren so vele grafe stene rontom 118 foet am plats van gronthouyt de welcke an mijne pagt mag worden gefallidert, omdat ick ene soene groette pagt moet yarlickes betalen somma van 300 gulden, ter wiele ick niet anders wet als Yarlickes wel poetet en plantet nae min duncken.
actom als boefen 1762 den 16 januarius
w.g. H Helmig Hofmeyyer

Kort samengevat: Onderdanig vraagt de hofmeijer hout ter reparatie van een oude vervallen schuur die in gebruik is geweest als graanopslag en/of als schuur van het lijftuchthuis. Hij vraagt, door de houtvester aan te wijzen, hout voor vier gebond (=vijf gebinten) voor een gebouw van 36 voet (=10,8 mtr) lengte. De ankerbalken, die de breedte van het gebouw uitmaken, 18 voet lang (=5,4 mtr). N.b. het wil niet zeggen dat de klopjeswoning ook die grootte kreeg. Afwijkingen in grootte kwamen vaak voor, naderhand werd daar geen notitie van gemaakt. Hij wil van het hout een kleine woning maken, bestemd voor één van zijn vier dochters, welke een klop is. Hij spreekt de hoop uit dat nog een van zijn dochters klop wordt. Als de klop overlijdt, kan dit gebouw als lijftucht- of garfhuis weer dienst doen. In de bisschoppelijke tijd, toen de bisschop van Utrecht ook nog wereldlijk heer was, inde de hofmeijer de garfpacht voor de landheer (bisschop), wat later door de landrentmeester plaatsvond. Vandaar dat het onderhoud van het garfhuis voor de eigenaar, eerst de bisschop en later Ridderschap en Steden is. Verder vraagt hij Bentheimer funderingsstenen met een omtrek van 118 voet (=35,4 mtr) in plaats van het grondhout, welke kosten hij graag van de pacht afgetrokken wil zien. Hij betaalt de hoogste pacht van alle Twentse domeinerven en hij poot véél (meer dan verplicht is) telgen.
De brief werd verzonden naar H.J. Bos, verwalter Landrentmeester van Twente, die de Gedep. Staten vóór 18 februari 1762 moet berichten of reparatie en verbouw noodzakelijk was. Het antwoord van Bos: “Is eigenlijk tegen de regels, maar omdat de hofmeijer goed poot (telgen, jonge eiken), een liefhebber van hout is, zijn huis goed onderhoudt, de hoogste pacht van alle hoven of Meyers in Twente geeft”, accoord. Maar hij moet het op het erf staande te kappen hout vervangen door jonge telgen. Het huisje blijft eigendom van de provincie, ook na de dood van de kinderen. Het gebouw moet dan weer als schuur worden gebruikt.

Afb. 05: Ook op erve Banis, ooit gelegen aan de Zenderensestraat, stond de put vlak bij het huis. Bron: Gemeentearchief Borne. Fotocollectie nr. 1125(9)

Kaarten

Laten we nu maar eens kijken welke gebouwen we kunnen terugvinden op oude kaarten. Op de Domeinkaart uit 1778 is in een ander handschrift en inkt o.a. “1828” toegevoegd. De kaart is afgedrukt op de volgende pagina. De gebouwen in wit, het water in blauw, de wegen in geelbruin, landbouwgrond in grijs (in stroken) en weiland in groen, waar boompjes getekend staan, betreft het bos/hakhout. Eén “voorwerp”, de put, staat bijna nooit op de kaarten getekend. Deze moeten we zoeken in het domein van de vrouw: vóór het huis en niet ver verwijderd van het brouwhuis, dat ook vaak als bakhuis werd gebruikt. De hof zal ongetwijfeld een put, mogelijk meerdere van Bentheimer zandsteen hebben gehad.

Wat me het eerst opviel bij het bekijken van de kaart van 1778 is dat veel stukken grond met een water (sloot) omgeven zijn. Dit kan alleen bij erven die op een relatief laag grondgebied stonden en waar de grondwaterstand hoog is. Hoger gelegen erven moesten andere omheiningen maken bijvoorbeeld van staketsels en dichtbegroeide singels. Dit alles om niet welkom volk, maar voornamelijk wild en vee te beletten zich te goed te doen aan het gewas.

Deze kaarten van de erven werden uit belasting oogpunt gemaakt(9). Enkele nummers op de oorspronkelijke kaart, zijn gebouwen of opvallende stukken bezit die om een of andere reden een nummer moesten hebben:

Nr 3: de lijftucht de “Oude meyer”(10). Groot ongeveer 12 x 19 meter.
Dit was een boerderij van redelijke omvang, mede vanwege de aanwezigheid van een “onderschoer”.
Nr 6: wordt in 1812 een visscherij genoemd. Nagenoeg elke boerderij had een visvijver waar voor eigen gebruik vis werd gekweekt. In de buurt van de spijker lagen, via een loopbruggetje te bereiken, een viertal stukken tuingrond. Deze waren omgeven door water afkomstig van een vrij brede sloot.

Afb. 06: Uitsnede uit de Domeinkaart van 1778.
A: erfhuis; B: schuur; C: brouwhuis; D: spijker: E: schop en F: leerlooijerij. 3: lijftucht de “Oude Meijer” en 6: visserij

De gebouwen rondom het erfhuis bezitten geen nummer. Ik heb ze genoemd A t/m F. De grootte van de gebouwen hieronder hebben bij benadering de genoemde afmetingen.
A: het erfhuis (tekst op de kaart: “t huys”), groot ongeveer 13,5 x 24 meter.
B: schuur (tekst op de kaart ”Schuur”), groot ongeveer 11 x19 meter.
C. brouwhuis (tekst op de kaart “brouhuis”). Groot ongeveer 8 x12 meter. In 1832 een jeneverbranderij.
D: spijker (tekst op de kaart “spijker”), groot 8 x 8 meter.
E: schop (tekst op de kaart “schöpke”), groot 7 x12 meter.
F: gebouwtje/afdak in de grond verzonken kuipen van een leerlooierij, zie de tekst verderop.

Afb. 07: Uitsnede uit de Kadasterkaart gemeente Borne sectie D, oorspronkelijk uit 1832

Het erf bezat behoorlijk veel stukken grond. Deze waren onder te verdelen in “bouwgrond” (=akkerbouw), weiland, hooiland, bos/hakhout en moeras. Mogelijk zit er verschil tussen weiland/grasgrond (koeien laten grazen) en hooiland. Dit land was uitsluitend voor de hooioogst bestemd(11). Hoewel discutabel, ga ik er van uit dat de kaart tussen 1778 en 1828, qua gebouwen niet gewijzigd is.

Op een bepaalde plek in het bos, dichtbij het erf Morselt zie je vaag een rechthoek getekend. In 1832 (kadaster, perceel nr. 157) blijkt dit een leerlooierij te zijn (geweest). Hoewel de grond eigendom van de hofmeijer was, berustte bij een zekere schoenmaker Maseland en mede-eigenaren, hierop het recht van opstal. Mogelijk zijn dat een aantal kuipen/tonnen waarin het leer door middel van looizuur werd gelooid. Deze vaten zijn waarschijnlijk met planken afgedekt.
N.b. op de kaart van de Hof staat op die plaats geen bouwwerk.

De situatie rond 1832 is ook weergegeven op hierboven afgedrukte kadasterkaart. De percelen grond en haar gebruik dicht om het erfhuis:

  • bouwland: 170, 175
  • moeras 156,158,169 (=de smalle strook) 172 en 176.
  • weiland: 154, 162, 178 (grasgrond)
  • hooiland: 149, 152, 171,
  • bos/hakhout: 151, 153, 164, 173, 174,
  • opgaande bomen: 147, 148, 155

Verbouwingen

Tijdens archiefonderzoek ben ik twee verbouwingen van gebouwen op de Meijershof tegengekomen. Deze staan, bijna met zekerheid te zeggen, op de kaart van 1778. In 1734 diende de hofmeijer een verzoek in om het oude vervallen garfhuis (=opslag voor graan, ook spijker) te mogen repareren om tot woning van de klop op het erf (tante, zus van hem) te worden gebruikt(12). Dit zal de spijker zijn geweest, dat vlak voor de voorgevel van het erfhuis stond. Hij heeft hiervoor toestemming gekregen van de Gedeputeerde Staten en kreeg Fl. 328,— voor de timmerlui, metselaars, baksteen en (metsel)kalk vergoed. Deze spijker had dus al metselwerk in de buitenmuren van vakwerk, maar nog geen fundering van Bentheimer zandsteen.

In 1750 hadden de Staten besloten dat de boeren over konden gaan om Bentheimer zandsteen als fundering te gebruiken. Op de erven werd dan geen vernieuwing van buitengrondhout toegestaan en werd voor Bentheimer steen per voet een vergoeding van 3 stuivers verstrekt. Op 22 november 1761 was besloten ook deze steensoort voor schoppen en bakhuizen toe te staan, met uitzondering van lijftuchten, omdat de bewoners deze vaak ten eigen voordele verhuurden(13).

Gezien de omschrijving van de grootte zou dit het gebouw (nr 3 van het kaartje), op de kaart met de lijftugt aangeduid, zijn. Dit is dan “de Olde Meijer”(14).

In het onderhavige geval werd een vervallen schuur opgeofferd om een dochter, als klop, onderdak te kunnen bieden. Het had alles te maken met de leverantie van bouwmaterialen: hout in de vorm van balken (van ankerbalk tot rij) planken, gordingen en spanten en steen. Van latere jaren is bekend dat nogal een aantal boeren met hetzelfde verzoek als de hofmeijer van Borne, nul op hun request kregen.

Noten

  1. Gelegen in de Marke Zenderen.
  2. Historisch Centrum Overijssel, registers DTB.
  3. Historisch Centrum Overijssel, 122/ 552 nr 101-104.
  4. Boerderijen in Twente, geschreven door H. Hagens. Uitgeverij Matrijs, 1992.
  5. Historisch Centrum Overijssel, 3.1/3633.
  6. Archief Huis Twickel nr 501.
  7. Historisch Centrum Overijssel, 4.1.1/5.
  8. Historisch Centrum Overijssel, 4.1.1/554, 3.1/2790 en 3.1/3633.
  9. Welberg, G. J. “De moeizame kreatie van 18e e e u ws e kaarten van Twentse horige domeinerven” in Jaarboek Twente 1993.
  10. Ter Braak G.P.en Noordhuis H. wijden onder de titel “Brand in de oude meyer” in het boekje “Groeten uit Borne” (Oldenzaal 1992) .
  11. Nijhuis, G.A.B. “Georg Amelung commies van de convooien en licenten te Ootmarsum. Deel 1: Het kasboek”.
  12. Historisch Centrum Overijssel, 3.1/2790.
  13. Historisch Centrum Overijssel, 4.1.1/53.
  14. Met de benaming “olde” wordt altijd de lijftucht bedoeld.

Fotoverantwoording

De redactie heeft dit artikel op aanwijzing van de auteur deels voorzien van afbeeldingen en kaartmateriaal. Van de Meijershof zijn nauwelijks oude foto’s beschikbaar. Daarom heeft de redactie tevens gekozen voor zoveel mogelijk passende foto’s van andere erven in de gemeente.

(–> naar PDF-versie van deze publicatie)

(–> naar Inhoudsopgave 2013-03)

(–> naar Boorn & Boerschop pagina)