Boorn & Boerschop 2012-03: Borne’s eerste burgemeester en notaris Willem Christiaan Lantman -1- Geld verdienen

Auteur: AnjaTanke en Jeroen Kuhlmann

Het jaar 1811 kan beschouwd worden als ‘oprichtingsjaar’ van de gemeenten en in februari 1812 werden bij keizerlijk decreet notarissen benoemd, onder andere in het arrondissement Almelo(1) waar
Borne onder viel. De man die ten volle van deze ontwikkelingen geprofiteerd heeft, is Willem Christiaan Lantman. Hij werd in 1811 benoemd tot ‘maire’ van de gemeente Borne en een jaar later volgde de benoeming tot notaris in het kanton Delden met als standplaats Born
e.

De aanleiding van het onderzoek

Het is dit jaar dus 200 jaar geleden dat de eerste notaris zich in Borne vestigde. Zijn laatste opvolger is op dit moment Jeroen Kuhlmann. Het 200-jarig bestaan is een mooie aanleiding om eens uit te zoeken wie Willem Christiaan Lantman is. Ook wilden we graag ‘bewijs’ vinden met betrekking tot de verhalen die nog steeds over hem worden verteld. Zoals het vertrek uit Borne, dat in verband zou staan met financiële problemen en dat hij de opdrachtgever zou zijn van de bouw van de Harmonie op de hoek Potkampstraat / Grotestraat.

Samen zijn we op pad gegaan om zoveel mogelijk informatie te verzamelen. De afgelopen jaren is door verschillende personen wel wat gepubliceerd over Lantman. Helaas niet altijd met een bronvermelding waar het geschrevene op is gebaseerd. Het maakte het voor ons lastig om het gepubliceerde in bronnen terug te vinden. Wij beogen met dit artikel een completer beeld neer te zetten, hoewel wij de onszelf gestelde vragen niet allemaal hebben kunnen beantwoorden. Al met al is het een boeiende en intensieve zoektocht geworden.

In dit eerste deel gaat het over geld verdienen. We besteden aandacht aan:

  • In dienst van de prins;
  • Bombazijnfabrikant en eigenaar van een blauwververij;
  • Richter van Borne;
  • Maire, schout, burgemeester en secretaris van Borne;
  • Notaris met standplaats Borne;
  • Rechter-plaatsvervanger in Delden en Almelo;
  • Aan- en verkoop en beheer van onroerend goed.

In de volgende aflevering van Boorn & Boerschop komt het vertrek naar Amerika aan bod. Tot slot in Het laatste, derde deel gaat het over zijn achtergrond en familie. Tijdens ons onderzoek is hierover tamelijk veel informatie gevonden, dat al dan niet indirect, ook wat vertelt over de opvoeder Lantman. Daarom besteden we ook hier aandacht aan.

In dienst van de prins

Willem Christiaan Lantman wordt op 11 november 1778 in Nijmegen geboren en daar gedoopt. Als knulletje van tien jaar treedt hij als cadet-volontair in dienst van het Regiment Infanterie van V.R. baron Bentinck(2). De officiële benaming is Regiment Nationalen 24. Het regiment stond op repartitie (was in betaling) bij het gewest Holland. Op 14 september 1792 wordt Lantman bevorderd tot vaandrig in de tweede compagnie van het eerste bataljon(3).

De jonge vaandrig Lantman is militair in een roerige tijd. Op 1 februari 1793 verklaart de koning van Frankrijk de oorlog aan de koning van Engeland en de stadhouder van Nederland.
In oktober 1794 wordt het regiment opgenomen in een nieuw geformeerd korps, dat het oostelijke deel van de Republiek moest beveiligen tegen de Fransen, die die maand met het beleg van Nijmegen waren begonnen. Op 1 november werd dit korps in de omgeving van Arnhem gestationeerd. Twee dagen later kreeg het Regiment Bentinck opdracht zich in allerijl naar Nijmegen te verplaatsen. Op 7 november viel het besluit de vesting te ontruimen.
Voor dit regiment mislukte dat echter, omdat de gierpont waarmee het ’s nachts de Waal zou oversteken, midden op de rivier losraakte en in de stroom bleef liggen. Op 9 november, een dag na de capitulatie van Nijmegen, ging de daarin achtergebleven bezetting in Frankrijk in krijgsgevangenschap. Daartoe hoorden ook de militairen van het Regiment Bentinck, die zich nog op de gierpont bevonden. Lantman zat acht maanden gevangen.

Afb. 01: Bericht in de Rotterdamsche Courant van 18 oktober 1792 nr. 125 van de bevordering door de erfprins van Oranje Nassau in zijn regiment. (Bron: www.kb.nl )

Na zijn vrijlating nam hij ontslag uit het leger(4). Vanaf 1795 tot 1803 is Lantman op een andere manier actief. Hij beschrijft het als volgt in een verzoekschrift aan koning Willem II uit 1844: “Dat hij tusschen 1795 en 1803 steeds op alle mogelijke wijze het belang van U Majesteits Koninklijk huis heeft helpen bevorderen door geattacheerd te blijven aan mijn Kolonel Raasfeld in het bezorgen van correspondentie tussen deze en andere geëmigreerde officieren”(5).
De officieren van wie Lantman melding maakt, kunnen inderdaad degenen zijn die in 1795 via Duitsland naar Engeland uitweken of dienst namen in buitenlandse legers. Het is niet duidelijk hoe het bezorgen van correspondentie uitgelegd moet worden of hoeveel tijd hij eraan besteedde.
In 1799 is Lantman in Zwolle als de Engelsen op 27 augustus landen in Callantsoog. Het zet de verhoudingen tussen de prinsgezinden en de patriotten verder op scherp. De prinsgezinde Lantman moet vluchten uit Zwolle omdat tegen hem een bevel tot aanhouding was uitgevaardigd(6).

Het Regiment Nationalen 24

In 1783 werd de officiële benaming vastgesteld. In 1795 (Franse tijd) ging het regiment op in het 2e bataljon van de 6e Halve brigade.
Het regiment bestond uit 2 bataljons, elk met een grenadier-compagnie en zes musketier-compagnieën. Hoewel het regiment officieel een nummer / naam droeg, werd dit alleen gebruikt op hun wapens en uitrusting en waren ze beter bekend onder de naam van hun commandant (kolonel). Begin 1793 bedroeg de (theoretische) sterkte 762 man. Na de oorlogsverklaring op 1 februari 1793 van de Franse Republiek aan de Koning van Engeland en de Stadhouder der Nederlanden werd de sterkte opgevoerd naar 983 man(7).

Dirk Joachim Willem Jan van Raesfelt

Dirk Joachim Willem Jan van Raesfelt was van 1790 tot 1794 kolonel-commandant van het Regiment Infanterie Bentinck. Hij was als zodanig de opvolger van Volkier Rudolf baron Bentinck van Schoonheten-Yrst, die eind 1789 – als opvolger van Ralph Dundas – kolonel-eigenaar van het regiment werd. Van Raesfelt was van 1779 tot 1790 luitenant-kolonel bij dit onderdeel. Halverwege 1794 werd hij commandant van een naar hem genoemd grenadiersbataljon. Dit ging deel uitmaken van het geallieerde veldleger dat vanaf juli 1794 tegen de Fransen werd ingezet. In dit bataljon waren ook de twee grenadiers-compagnieën van het Regiment Bentinck opgenomen. Het is aannemelijk dat Lantman toen bij het regiment is blijven dienen. Het eerste bataljon daarvan lag toen voor het ene deel in Kampen en voor het andere in Zwolle(8).

Bombazijnfabrikant / eigenaar van een blauwververij

Willem Christiaan trouwt in 1801 in Zwolle met Johanna Maria van der Heijden en nu moet er geld verdiend worden. Op 30 augustus 1802 koopt hij tezamen met Jan Rooseboom van de familie Een huis een huis met hofgrond aan de Ennekerdijk (sectie D nr. 357: zie het kaartje op bladzijde 8), naast het huis en hof van Jan Roseboom. De koopprijs bedraagt ƒ 575,00(9). Samen beginnen ze een bombazijnweverij. Bombazijn is een vrij grove half linnen, half katoenen stof. Deze stof werd hoofdzakelijk gebruikt voor werkkleding.
In 1804 wordt de samenwerking met Roseboom ontbonden en deze begint voor zichzelf(10). Inmiddels was Lantmans zus Hendrina met haar man W.H. Christiaens in Borne komen wonen. Samen met Christiaens zet Lantman de bombazijnfabricage aan de Ennekerdijk voort. Uit een hypotheekakte uit 1805 blijkt dat in het pand aan de Ennekerdijk een ververij gevestigd is(11). Vermoedelijk wordt hier een blauwververij bedoeld. In een dergelijke ververij werd met de kleurstof indigo kleding donderblauw geverfd tot op het zwarte af. Destijds was kleding verven goedkoper dan nieuwe aanschaffen. Zwarte kleding werd gedragen tijdens een rouwperiode.

Hoe het met de bombazijnfabricage en de blauwververij is afgelopen, is niet bekend. Het echtpaar Christiaens vertrekt in 1808 uit Borne. Het pand aan de Ennekerdijk blijft eigendom van Lantman.

Richter van Borne

In 1795 is richter Jacobs door het volk gekozen als richter van Borne en voorzitter van de municipaliteit. Jan Deckwitz schreef al eerder over de perikelen rond deze verkiezing(12). Een richter hield zich onder andere bezig met ordehandhaving, het uitoefenen van de rechtspraak, of om afspraken tussen partijen bindend vast te leggen zoals voogdij of aan- en verkopen.

Begin 1803 schrijft Jacobs een brief naar het Departementaal bestuur van Overijssel in Zwolle. Hij heeft met leedwezen een gerucht gehoord, dat de heren in Zwolle van plan zijn de burger Lantman in zijn plaats willen aanstellen als richter van Borne. Jacobs hoopt dat dit bericht “voorbarig, onwaar en van alle grond ontbloot” is. Temeer omdat hij in 1795 op democratische wijze is benoemd en het richter-ambt bijna acht jaar trouw, met alle vlijt en naar genoegen van de Bornse ingezetenen heeft gediend. Tevens geeft hij aan dat het aanvaarden van de functie van richter zorgde voor een inkomensdaling, maar dat hij dat er graag voor over had. Jacobs eindigt zijn brief met een pleidooi om hem zijn aanstelling te laten behouden op grond van onberispelijk gedrag en gedane financiële opofferingen.

Op 16 februari 1803 neemt het Departementaal bestuur van Overijssel een besluit dat bij Jacobs zeker voor grote beroering heeft gezorgd; Lantman wordt aangesteld als richter van Borne en hij wordt dus ook voorzitter van de municipaliteit in Jacobs’ plaats. Het besluit is gericht aan “de geweezene rigter van Borne Jacobs”. Voordat Jacobs het besluit ook maar gelezen heeft, is de boodschap duidelijk(13). De verdiensten van Lantman als richter inclusief het voeren van het secretariaat bedragen ƒ 1200,00 per jaar(14).

Maire, schout, burgemeester en secretaris van Borne

Bij keizerlijk decreet van 18 oktober 1810 werd besloten dat de Franse administratie per 1 januari 1811 zou worden ingevoerd. Dit bepaalde dat de Franse wetten, de Franse bestuursindeling en de Franse rechterlijke organisatie ook in Nederland van toepassing zijn. Het betekende het eind van het richterambt Borne en de gemeenten en daarmee dus ook dat er gemeentebesturen ontstonden. Vaak werden bij het bepalen van de gemeentegrenzen de grenzen van de voormalige kerspels of richter-ambten aangehouden.

Op 10 april 1811 wordt in de woning van Lantman, bij gebrek aan gemeentehuis, het gemeentebestuur en de uit 15 mannen bestaande gemeenteraad geïnstalleerd door de onderprefect van het arrondissement. Lantman wordt benoemd tot maire (burgemeester), G.J.O.D. Dikkers tot adjunct-maire (secretaris). Lantman ontvangt voor het gebruik van een kamer in zijn woning als gemeentehuis over 1811 een vergoeding van ƒ 24,00(15). Deze woning staat op de plek waar nu de woning Grotestraat 139-141 staat.

In 1814, na het vertrek van de Fransen blijft de bestuursindeling hetzelfde. Wel wordt de benaming ‘maire’ vervangen door burgemeester. In 1816 trad het Reglement van bestuur ten plattelande van Overijssel in werking. De burg meester heette voortaan schout en er werden twee schepenen door Gedeputeerde Staten benoemd, gekozen uit de gemeenteraad. Leden van de plaatselijke besturen werden benoemd voor een periode van zes jaar en waren herkiesbaar.
In 1825 werden de namen schout en schepenen veranderd in burgemeester en assessoren. Het plaatselijke bestuur bleef bestaan uit een burgemeester, twee assessoren en een gemeenteraad. In hetzelfde jaar werd Lantman eveneens belast met de taak van gemeentesecretaris(16).

Afb. 02: In museum Bussemakerhuis is dit bestellingenregister te bezichtigen van vermoedelijk Bussemaker. Lantman bestelt in 1816 het volgende: ouwel, diverse kwaliteiten en hoeveelheden papier, pennen, potloden, lak om mee te zegelen, een mandatenboek, een almanak en een boek sterflijsten. De rekening over 1816 bedraagt ƒ 38-14-8

Borne was in deze periode een kleine, weinig welvarende plattelandsgemeente. In 1840 telde de gemeente ruim 3400 inwoners. Er was weinig industrie. De beroepsbevolking bestond grotendeels uit wevers en landbouwers die, naar gelang het seizoen, deze beroepen wisselend beoefenden. Er gebeurt in de periode 1811-1843 weinig schokkends. Wel noemenswaardig is de aanleg van de huidige Grotestraat in de jaren ’30 en het patent dat in 1828 verstrekt wordt aan Salomon Jacob Spanjaard. Als notaris maakt Lantman in 1837 de akte op waarin Salomon Jacob Spanjaard zijn zoon aanwijst als zaakwaarnemer van het groeiende familiebedrijf dat in deze periode nog hoofdzakelijk thuiswerkers (wevers) in dienst had.

Eind 1843 lopen de zesjaarlijkse benoemingstermijnen voor burgemeesters af en Lantman verwacht dat hij opnieuw benoemd zal worden. Dit keer zal het echter anders gaan. De minister van Binnenlandse Zaken heeft voorafgaand aan de herbenoeming overleg m t de gouverneur (nu Commissaris der Koningin) van de provincie. Zo ook in Overijssel.
In het advies van de gouverneur aan de minister worden een aantal zittende burgemeesters niet gespaard. Zo wordt de burgemeester van Rijssen gekarakteriseerd als “lomp, eigenzinnig en despotiek”, die van Den Ham maakt zich dagelijks schuldig aan plichtsverzuim. Een viertal burgemeesters wordt benoemd in een andere (kleinere) gemeente in de hoop dat zij daar beter zullen functioneren. Eén daarvan is J. Bussemaker, toen nog burgemeester van Tubbergen. Hij wordt neergezet als een middelmatig ambtenaar die niet overweg kan met Von Bönninghausen van Herinckhave. Hij wordt vanwege deze twee redenen verplaatst naar Borne. Wel met minder salaris.
Over Lantman wordt het volgende genoteerd: “Met betrekking tot den uitvallenden secretaris en burgemeester van Borne W.C. Lantman vermeen ik mij te mogen gedragen aan particulier berigt met bijlage onlangs aan uwe ex. gegeven waardoor genoegzaam de niet weder voordragt is gewettigd”(17).
De gouverneur heeft dus aan de minister een vertrouwelijke brief overhandigd of laten overhandigen waarin uit de doeken wordt gedaan waarom Lantman niet opnieuw benoembaar is. Kennelijk is de minister het hiermee eens want in de voordacht bij het Koninklijk Besluit staat het volgende:
“Ten aanzien van den Heer W.C. Lantman burgemeester en secretaris van Borne, die, volgens de, door denheer Gouverneur aan mij gedane vertrouwelijke mededeeling, ongeschikt is, om nog opnieuw tot Burgemeester te worden benoemd”. Helaas is dit vertrouwelijke briefje niet gevonden. Andere burgemeesters worden niet bepaald gespaard in de beschrijvingen over hun functioneren. Welke redenen zouden er geweest zijn die zelfs niet vermeld worden in de stukken?
En aldus wordt per 2 januari 1844 J. Bussemaker tot burgemeester en secretaris van Borne benoemd. Lantman krijgt wel eervol ontslag als secretaris(18).

Het nieuws van de benoeming van Bussemaker moet Lantman lezen in de Staatscourant. Het bericht zal zijn ingeslagen als een bom. Toch onderneemt hij snel actie. Op 4 januari al wendt hij zich tot koning Willem II met een verzoekschrift en schrijft hij een pleitbrief aan pastoor Coolen uit Zevenbergen. Lantman heeft de pastoor ontmoet in 1843 en deze heeft weer goede contacten met de bisschop van Den Bosch.
In het verzoekschrift aan de koning refereert Lantman eerst aan de loyale houding die grootvader, vader en hijzelf hebben ten aanzien van het koningshuis door te dienen in het leger van de prins. Vervolgens beschrijft hij zijn eigen verrichtingen in dienst van stadhouder Willem V. Daarna beschrijft hij zijn ambtelijke carrière vanaf 1803. Na deze opsomming komt Lantman ter zake door te stellen dat hij onverdiend – er waren nooit klachten – en onverwachts uit zijn functies is ontheven. Hij vraagt Willem II hem zijn functie als burgemeester terug te geven die, naar zijn mening, wederrechtelijk is gegeven aan Bussemaker. Als teruggave niet mogelijk is dan wil hij graag eervol ontslagen worden als burgemeester met toekenning van een pensioen. Tevens vraagt hij een pensioen voor de periode dat hij de functie van secretaris heeft uitgeoefend.

De toon van de brief aan pastoor Coolen is heel anders van aard. Via de bisschop kan de zaak van de Twentse katholieken, maar vooral die van hemzelf bepleit worden bij de koning. Lantman schetst de onderdrukte positie van de katholieken ten opzichte van de gereformeerden. Deze laten geen kans onbenut om het katholieke volksdeel dwars te zitten. Zo zijn er in Twente maar twee katholieke burgemeesters op een bevolking die overwegend katholiek is. Bij de herbenoemingen in 1844 zagen de gereformeerden hun kans en dat terwijl de koning een liberaal standpunt heeft: waar overwegend katholieken wonen, moet er ook een katholieke burgemeester zijn. De koning is bedrogen omdat geen katholieke burgemeesters herbenoemd zijn!! Lantman noemt het als volgt: “Het is een knoeistuk van den gouverneur en de Minister van Binnenlandse zaken, die intieme vrienden zijn . . dat de onrechtvaardige handelingen van de gouverneur schipbreuk komen te lijden”.
Lantman geeft zelf twee redenen waarom hij niet herbenoemd is:
• Zijn drie dochters “heeft hij de geestelijke stand laten aanvaarden”. Eén is ingetreden in een congregatie en twee zijn kloppen.
• Hij voedt vier kleinkinderen op in het katholieke geloof. Het zijn de kinderen van zijn oudste zoon Jan, die was getrouwd met een gereformeerde vrouw. Zij werd voordat zij met Jan trouwde katholiek.

Lantman doet een vlammende oproep “het is daarom dat ik Uwe Eerwaarde, en alle Roomsch Catholieke priesteren en Superieuren kome imploreeren om mij bij te staan bij den Koning door alle hunnen invloed omdat aan mij, en aan alle Roomsche Katholieken in Twente het aangedane ongelijk door den Heer Gouverneur hersteld worde”(19).
Er heeft geen herbenoeming als burgemeester plaatsgevonden. Op 2 januari 1844 komt aan Lantman’s ambtelijke carrière een eind. Vermoedelijk is aan hem geen pensioen toegekend als burgemeester en secretaris. Enig bewijs van een toekenning daarvan is niet gevonden(20).

Afb. 03: Op 29 april 1812 passeert Lantman zijn eerste akte. Het betreft de verkoop van een perceel weiland (een ‘hooimaat’) gelegen in de Lange Maat in boerschap Hertme. Verkoper is Gerrit Weldhuis, bouwman uit Deurningen en koper is Hendrikus Mulder, timmerman uit Borne. De koopprijs bedraagt ƒ 95,00 vrij geld of wel 199 franken en 50 centimes. De akte is niet door de partijen ondertekend maar wel door Lantman en twee getuigen, Jan Rondekrans, rentenier oud 51 jaar en Jan ten Cate, brouwer, oud 59 jaar. De officiële akte is in het Frans maar ingevouwen in die akte is een Nederlandse vertaling opgenomen. In de 26 jaar dat Lantman notaris is, passeert hij 3020 akten. Een jaargemiddelde van 116. (Foto: Jeroen Kuhlmann)

Notaris met standplaats Borne

Anders dan in de rest van Nederland kende men tot 1811 geen notarissen in Overijssel. Daar kende men schouten en richters die akten passeerden. Deze fungeerden niet alleen als bestuurder (burgemeester) maar, volgens huidige begrippen, ook als rechter en notaris.
De eerste notarissen in Overijssel werden in 1811 benoemd. In het nieuwe arrondissement Almelo, waar ook Borne onder viel, was dat in 1812.
Na de Franse revolutie werd veel waarde gehecht aan de scheiding der machten (Trias politica).
Bestuurlijke en rechtsprekende functies werden daarbij gescheiden. Des te opmerkelijker is het dat Lantman na zijn benoeming tot eerste burgemeester van Borne ook tot notaris werd benoemd. Wellicht dat zijn kennis van de Franse taal (opgedaan tijdens zijn krijgsgevangenschap in Frankrijk?) een aanbeveling was. Te benoemen notarissen moesten namelijk wel vertrouwd zijn met de Franse taal en notariszaken. Bij Koninklijk Besluit van 22 juli 1838 wordt aan Lantman eervol ontslag verleend als notaris. Wilmink wordt zijn opvolger(21).

Afb. 04: Publicatie van de benoeming tot rechter-plaatsvervanger in de Nederlandsche Staatscourant van 18-09-1838, nr. 221. Hier wordt Lantman genoemd zonder titel. Bron: www.kb.nl

Vrederechter-plaatsvervanger in Delden en rechter-plaatsvervanger in Almelo

Nu het richterambt in 1811 was opgeheven en er geen richter meer was om recht te spreken en afspraken tussen partijen bindend vast te leggen, kwam daarvoor in de plaats de vrederechter als laagste rechter in een landelijk uniform rechtssysteem. De vrederechter sprak o.a. recht in zaken betreffende roerende goederen. Daarnaast trad hij op in familie- en erfrechterlijke zaken, zoals het benoemen van curatoren en voogden. Inwoners uit de kersverse gemeente Borne moesten hiervoor naar de vrederechter in Delden. Kwam men er niet uit dan kon de stap gemaakt worden naar de zogenaamde Rechtbank van eerste aanleg in Almelo. Deze rechtbank behandelde ook strafzaken.

In 1811 moest er dus een nieuwe rechterlijke organisatie staan. Niet alleen de plaats waar de rechtbank gevestigd zou worden moest bekend zijn, maar deze moesten ook bemand worden. Daartoe werd onderzoek gedaan naar geschikte personen. In 1810 was iedereen die in het justitiewezen werkzaam was, verzocht om een opgave te doen van zijn personalia en werkervaring. Ook Lantman heeft opgave gedaan. Deze dienden als basis voor de personele invulling van de te verwachten functies. Eén van de benoembaarheidseisen was een voltooide studie rechten. Mogelijk dat men voor oost-Nederland wat soepel met deze eis is omgegaan in verband met een gebrek aan geschikte kandidaten. Over het algemeen werden juridisch geschoolde kandidaten (dus geen juristen) benoemd tot vrederechter. Toetsingscriteria voor het ambt van vrederechter waren: een goede naam, enig aards vermogen, een meer dan behoorlijke begaafdheid en aanleg en enige bestuurlijke of juridische ervaring(22).

Lantman was vrederechter-plaatsvervanger in Delden. Het is niet bekend wanneer hij in deze functie is benoemd(23).
Vanaf september 1838 is Lantman rechter-plaatsvervanger in Almelo(24). In dat jaar werden de rechtbanken van eerste aanleg vervangen door arrondissementsrechtbanken. De kantongerechten kwamen in de plaats van de vredegerechten. In juni 1849 wordt Lantman eervol ontslagen als rechter-plaatsvervanger(25).

Wel of niet meester in de rechten?

Had Lantman nu wel of niet gestudeerd, was hij wel of geen jurist? Wij hebben gezocht in de matrikels van alle Nederlandse universiteiten in de periode 1795-1801 naar een vermelding, maar deze is helaas niet gevonden(26). De mogelijkheid blijft dat Lantman gestudeerd heeft aan een buitenlandse (katholieke) universiteit. Hij ondertekent vanaf 1817 consequent met ‘mr’ en ook andere notarissen spreken hem met die titel aan. Gezien het feit dat de titel in de afgebeelde publicatie in de Staatscourant op deze pagina niet wordt vermeld, doet toch vermoeden dat hij niet is afgestudeerd. Zijn aanstelling als vrederechter-plaatsvervanger is ook een aanwijzing. Hij zal dan op een andere manier juridische kennis vergaard hebben.

Aan- en verkoop en beheer van onroerend goed Utrechtse woningen

Lantmans vrouw Johanna Maria van der Heijden is eigenaresse van twee woningen in de stad Utrecht. Haar moeder is in 1809 in Borne overleden en vermoedelijk zijn deze panden afkomstig uit haar familie. De ene woning is genaamd Duickestijn en gelegen bij de Wijstraat. De andere woning ligt bij de stadssingel en de Tolsteegpoort. Beide woningen worden in 1811 verkocht aan Teunis Hekkert voor een bedrag van ƒ 2.995,00(27).

De Bornse bezittingen

Lantman woont in 1801 in Zwolle. Waarom hij naar Borne komt, is niet bekend. We hebben het niet kunnen achterhalen. Twee suggesties:
Mogelijk heeft hij al contacten met Rooseboom. Maar waar kende hij die dan van? Rooseboom was afkomstig uit Raalte en getrouwd met de Bornse Joanna Hemmelder.
Zoals in het vervolg van dit artikel zal blijken, had de familie Lantman nogal wat Hengelose bezittingen gelegen aan de Oude Bornseweg. De mogelijkheid bestaat dat de jonge Willem Christiaan met zijn vrouw vanuit Zwolle naar Borne trok om deze te beheren. De afstand van zijn woning aan de Grotestraat tot de Hengelose bezittingen bedroeg zo’n 3,5 km.

De eerste grote aankoop die Lantman in Borne doet is het kopen van een huis. Op 27 augustus 1801 koopt hij van Jan Pol, Steven ten Cate, Jan Hulshof en de erven van het overleden echtpaar Hulshof een huis, achterhuis, hof en halve put gelegen in de Horst (huidige Grotestraat 139-141). Ook koopt Lantman een stukje land, ter grootte van één spint (170 m2), gelegen in “de Aanslag” achter de aan te kopen hof. De koopsom bedraagt in totaal ƒ 1000,00(28). Zijn zwangere vrouw verblijft dan nog in Zwolle, waar in december het eerste kind geboren wordt. Het gezin zal zich begin 1802 in Borne gevestigd hebben.
Zoals eerder beschreven kocht Lantman in 1802 een pand aan de Ennekerdijk ten behoeve van de bombazijnfabricage en de blauwververij.

In de volgende jaren ziet Lantman kans twee direct aangrenzende panden (huidige Grotestraat 143) aan te kopen naast de woning in de Horst. Op 13 maart 1806 koopt hij van Hendrik Nieuwenhuis en Jan Schoemaker als voogden over Geertruit Goorhuis een half huisje en hofgrond(29). Een half jaar later koopt hij de andere helft met hofgrond van Aaltje Kamphuis. De koopsom bedraagt ƒ 200,00(30). In hetzelfde jaar wordt van het echtpaar Dorgelo-Schutte een “hoekje groengrond”, dat de “Aanslag” wordt genoemd, gekocht. De grond is gelegen bij de bleek en het “gemene” veld. De koopprijs van ƒ 400,00 is voldaan(31).
Op 7 augustus 1805 sluit het echtpaar Lantman een hypotheek af bij de heer Slot tot Warmelo voor een bedrag van ƒ 2000,00, tegen een rente van 5%. Als onderpand geven ze een onbezwaard huis (er rustte dus geen hypotheek op), hof en stallingen en nog een huis met hof. Dit laatste huis wordt gebruikt als een ververij. Als borg voor deze lening staat vader Willem Lantman(32).

Lantman kocht veel onroerend goed, met name landerijen en om die aankopen te bekostigen sloot hij hypotheken af. Zo leende hij van de Enschedese fabrikeur Jan Wennink in 1816 en in 1817 respectievelijk ƒ 1200,00 en ƒ 800,00. De rente bedroeg 5%. Als onderpand dienden de woningen in de Horst en de Ennekerdijk en omliggende landerijen(33) en (34). De lening uit 1816 wordt in 1825 afgelost(35).

Lantman leende in 1825 ƒ 2300,00 van de gemeente Borne. Als onderpand wordt gegeven:

  • twee naast elkaar gelegen huizen in de Horst, waarvan het oostelijke huis is gelegen naast “een gemeen wegje”;
  • circa vijftig “metrieke roeden” (850 m2) bouwland gelegen tussen twee “gemeene”-wegen;
  • een huis en hof gelegen aan de Ennekerdijk: dit huis dient dan ook nog als onderpand voor een hypotheek bij Jan Wennink;
  • circa vijftien “metrieke roeden” (255 m2) gelegen in de Aanslag;
  • twee weiden groot circa 1 bunder 90 roeden (11530 m2) gelegen bij de algemene bleek.


Tevens hebben zij “tot meerdere securiteit voor gezegd capitaal” de gebouwen laten verzekeren bij de Brand Waarborg Maatschappij te Amsterdam voor een bedrag van ƒ 3000,00. Lantman moet de
rente, 5%, betalen aan de gemeente-ontvanger G.J.O.D. Dikkers. Hij moet dat doen in grof goud of zilver Nederlands geld. Papieren geld, effecten en vreemde munten worden niet geaccepteerd, omdat daarvan de waarde onvoldoende vastgesteld kan worden(36).

Afb. 05: Kaartje gemaakt op basis van www.watwaswaar.nl. Aangegeven zijn de percelen welke in 1832 eigendom waren van W.C. Lantman. Naast de aangegeven gronden bezat Lantman ook nog twee percelen grond verkregen uit de markeverdeling

Sectie D nr.:
357 huis en tuin (Ennekerdijk)
358 tuin (Ennekerdijk)
415 tuin (Grotestraat)
416 huis en erf (Grotestraat)
738 bouwland (Oude Deldensestraat
739 hakhout (Oude Deldensestraat)
740 hooiland (Oude Deldensestraat)
741 hooiland (Oude Deldensestraat) 799 bouwland (Aanslagsweg)
810 bouwland (Aanslagsweg)

Lantman leende niet alleen, hij leent ook geld uit en wel een bedrag van ƒ 2300,00 aan de chirurgijn en vroedmeester Bernardus Buursink uit Enschede. Buursink lost de lening in 1825 af(37).

Afb. 06: Kadasterkaartje gemaakt op basis van de website www.watwaswaar.nl Aangegeven zijn de percelen gelegen rond de Werninkhof, welke in 1832 eigendom waren van W.C. Lantman. Onderliggend een recente kaart van het gebied. Perceel 169 is de Werninkhof. De noordelijke begrenzing is de Van Alphenstraat. De meest zuidelijke begrenzing (perceel 203 en 301) is de Achterhoekse Molenweg. Geheel rechts de Uitslagsweg. De Oude Bornseweg slingert tussen de percelen door

Sectie B nr.:
74 bouwland
159 bouwland
160 heide
161 huis en erf 163 hooiland
165 hooiland
166 bouwland
168 grasgrond
169 huis en erf Werninkhof
170 bouwland
171 bouwland
172 bouwland
174 hooiland
175 weiland
176 bouw- en weiland
178 bouwland
179 hakhout
183 bouwland
184 hooi- en bouwland
185 bouwland
196 bouwland
203 heide
301 bouwland
425 grasgrond
426 grasgrond

Grote verkoop in 1846

In juni 1846 bieden Lantman en zijn vrouw een groot deel van hun Bornse bezittingen te koop aan:

  1. de woning met tuin aan de Ennekerdijk wordt verkocht aan kleermaker E. Schurink voor ƒ 500,00;
  2. het huis de Harmonie (Grotestraat 139-141) met erf en halve put wordt verkocht aan J.S. Spanjaard voor ƒ 1.810,00;
  3. de weide (sectie D nr. 741) wordt verkocht aan bakker A.F. Immerman voor ƒ 430,00;
  4. een kamp bouwland (sectie D nr. 740) wordt verkocht aan wever E. Leferink voor ƒ 500,00;
  5. een kamp bouwland (sectie D nr. 738 / 739) wordt verkocht aan fabrikant H.B. Fischer voor ƒ 400,00;
  6. een perceel heide uit de voorgenomen marke-scheiding (sectie A nr. 1310) wordt verkocht aan wever A. Wensink voor ƒ 55,00;
  7. een perceel bouwland uit de voorgenomen markescheiding (sectie A nr. 1430) wordt verkocht aan fabrikant J. Lammerink voor ƒ 50,00.

De opbrengst van de veiling bedraagt ƒ 3745,00(38).

Bij de grote verkoop van 1846 wordt de westelijk gelegen woning (huidige Grotestraat 143) en een deel van de tuingrond niet verkocht. Uit de kadastrale legger blijkt dat het winkel- / woonhuis met de grond overgedragen wordt aan dochter en winkelierster Theresia L.F. Lantman en consorte(39). Tevens worden aan haar overgedragen twee percelen land (sectie D nr. 799 en sectie D nr. 810). Deze stukjes bouwland, vlakbij de woning gelegen, zullen ongetwijfeld hebben gediend voor verbouw van groenten en aardappels voor eigen gebruik.

De Hengelose bezittingen

Enkele jaren na zijn komst in Borne blijkt dat de familie eigenaar is van erve de Werninkhof en omliggende landerijen. In 1806 krijgt Lantman het aan de stok met de eigenaresse van Huijs Hengelo, douairière Wilhelmina van Pallandt, over het onrechtmatig kappen van een boom. Er worden tijdens “regtdagen” in Ootmarsum diverse getuigen gehoord die verklaren over de eigendomsgrens. In 1808 is er nog geen uitspraak. Zou de zaak met een sisser zijn afgelopen? Helaas ontbreken verdere processtukken(40).

Op 11 september 1819 gaat notaris Riemsdijk uit Almelo over tot de “publieke inzate” van het erve Werninkhof. Dat doet hij op verzoek van de gezamenlijke erfgenamen van vader Willem Lantman. In de omschrijving van het te verkopen onroerend goed en landerijen worden deze per perceel genoemd. Er zijn in totaal 29 percelen land gelegen in de nabijheid van het erf waarvan één perceel “bouwhuis”, de Werninkhof. Diverse personen zetten in op de percelen, maar uiteindelijk is er één koper: Bernardus Ensink betaalt ƒ 7000,00. Hij verklaarde op te treden “voor en ten behoeve van W.C. Lantman”. Het gegeven, dat deze bezittingen niet in onderling overleg worden verdeeld en W.C. Lantman kennelijk een stroman voor hem laat bieden bij de openbare verkoop, doet vermoeden dat de onderlinge verhoudingen binnen de familie niet optimaal waren.

Grote verkoop in 1845

Eind 1844 bieden Lantman en zijn vrouw de Werninkhof met diverse (omliggende) landerijen te koop aan. Toen hij in 1819 de eigenaar werd, kocht hij 29 percelen, nu worden er 43 te koop
aangeboden middels een veiling. De percelen zijn gelegen rondom de Werninkhof (zie kaartje op blz. 9), één perceel is gelegen in Klein Driene en drie percelen aan wat nu de Oosterbosweg heet. Alle percelen zijn verpacht of verhuurd. Elke huurder huurt ook stukken heide. Bij de markeverdeling zal de Werninkhof haar deel hebben gehad en de verhuur zal hier mee te maken hebben.
De totale inzet door verschillende bieders bedraagt ƒ 10.174,00. Op 15 januari 1845 vindt de openbare veiling en toewijzing plaats. Uiteindelijk roept Hendrik Overbeek, winkelier te Hengelo “mijn” bij een bedrag van ƒ 10.950,00. Alle percelen met een totale oppervlakte van 57.512 m2 worden zijn eigendom(41).

Afb. 07: Erve het Werninkhof ook genoemd Sladenhuis rond 1900

Grond in de Weerselo

Lantman bezat een ook nog ruim 1,5 hectare hooiland in de gemeente Weerselo. Nu ligt dit stuk grond in de gemeente Hengelo aan de Timmersweide bij het zwembad(42).

Het schilderij van Willem Christiaan Lantman?

Afb. 08: Willem Christiaan of toch Jan Lantman?

Van dit portret is altijd aangenomen dat W.C. Lantman hier wordt afgebeeld. Maar is dat ook zo? De afgebeelde persoon in militair uniform is een man van middelbare leeftijd. Uit het onderzoek naar Lantman’s militaire carrière is gebleken dat hij in de periode van 1788 – 1795 in dienst was van het Regiment Bentinck. In 1795 was hij 17 jaar.

Omtrent het uniform is informatie ingewonnen bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie. Uit het antwoord blijkt dat het om een officiersuniform gaat van het Staatse leger. Voor zover het instituut kan nagaan, is dit niet het uniform van het regiment Bentinck, waar Lantman diende.
In 1905 wordt deel 2 van de Iconographica Batava uitgegeven. Hierin worden geschilderde en gebeeldhouwde portretten van 18de eeuwse Nederlanders beschreven, met daarbij o.a. de verblijfplaats van het werk. De auteur is E.W. Moes, directeur van het Rijksprentenkabinet. In deel 2 wordt een Jan (Johannes) Lantman genoemd, met het jaartal 1773. Dit schilderij hangt “bij den heer Lantman te Borne”. Deze tweede luitenant-kolonel en kapitein Jan Lantman was de grootvader van W.C. Lantman. Hij is geboren in 1729 in Hoorn. Op 10 november 1772 werd hij door de Raad van State in de genoemde rang als officier aangesteld(43). Jan Lantman is begraven in 1773 bij Fort Zeelandia in Suriname.

Wie staat nu afgebeeld op het schilderij? Resumerend:

  • in 1905 hangt bij een Lantman in Borne een oud portret van Jan Lantman;
  • uit informatie van het uniform, voorzover zij N.I.M.H. blijkt dat het kunnen nagaan, niet is van het Regiment Bentinck;
  • het is het uniform van een officier;
  • Jan Lantman had de rang van luitenant-kolonel, Willem Christiaan Lantman was vaandrig;
  • de geportretteerde is van middelbare leeftijd

Deze conclusies maken ons aan het twijfelen of W.C. Lantman wel de geportretteerde is. Van Jan kan met recht gezegd word n dat hij een achttiende eeuwse Nederlander was. In tegenstelling tot Willem Christiaan die aan het eind van die eeuw volwassen werd. Ons inziens is er dus nog een kandidaat: Jan Lantman(44). Of was er nog een tweede schilderij, dat van Jan Lantman, wiens geschilderd portret in de vergetelheid is geraakt?

Waar hing het portret achtereenvolgens aan de muur? Op basis van het bevolkingsregister kan de volgende reconstructie gemaakt worden:
Bij W.C. Lantman tot het vertrek in 1848 en vervolgens bij zijn zoon, de gemeentesecretaris W.A.L. Lantman. Deze overleed in 1888. Zijn schoondochter E.E. Lantman-ten Breuil trok met (klein)kinderen bij hem in. Rond 1903, als Moes zijn onderzoek doet voor het tweede deel van de Iconographica Batava, wonen nog twee mannen Lantman in Borne: Arnoldus I.M.W.C. Lantman en Johannes W.A.L. Lantman, beiden kinderen van E.E. Lantman-ten Breuil.
Vanaf de jaren 1950 is het portret in bezit van Gerhardina M.F. Lantman, zij is een zus van de hiervoor genoemde twee broers. Vandaag de dag hangt het portret ergens in Brabant bij één van haar kleinzoons(45).

Met dank aan

Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH).
Dhr. M.W. van Boven, mevr. A.M.A.J. Driessen, dhr. H. Gloerich, dhr. J.J. Grootenboer, dhr. J. Huurman, dhr. F. Huurman, mevr. M. van Rooij en dhr. N. van Schrojenstein Lantman voor het doen van onderzoek en/of het verstrekken van informatie.

Verantwoording

Alle verzamelde informatie rond dit artikel is opgenomen in de documentatiecollectie van het gemeentearchief Borne onder nr. 343.

  1. www.historischcentrumoverijssel.nl Uitleg bij archief-toegang 122 Notarissen in Overijssel.
  2. Brief van 14-01-1844 van W.C. Lantman aan pastoor Coolen uit Zevenbergen. Als bijlage is het verzoekschrift aan koning Willem II toegevoegd. Een kopie van deze brief is beschikbaar gesteld door mevr. Driessen.
  3. Verstrekte informatie van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie te Den Haag.
  4. Zie noot 3.
  5. Zie noot 2.
  6. Zie noot 2.
  7. http://www.milwiki.nl/dutchregiments/index/
  8. Zie noot 3
  9. Gemeentearchief Borne. Archief Richterambt Borne, inv. nr. 3, pag 314.
  10. Gemeentearchief Borne. Archief Richterambt Borne, inv. nr. 3, pag. 396-397.
  11. Gemeentearchief Borne. Archief Richterambt Borne, inv. nr. 3, pag. 397-399.
  12. Boorn& Boerschop 2011-2.
  13. Gemeentearchief Borne.Brievencollectie oud archief.
  14. Zie noot 2.
  15. Gemeentearchief Borne. Secretariearchief 1811-1919. Bijlagen van de gemeenterekening 1811.
  16. Gemeentearchief Borne. Secretariearchief 1811-1919. Inleiding B. Geschiedenis van het plaatselijk bestuur.
  17. Historisch Centrum Overijssel. Toegang 25 Provinciaal bestuur van Overijssel, inv. nr. 18747.
  18. Nationaal Archief Den Haag. Toegang 2.02.04 Kabinet des Konings. Inv. nr. 3968, KB 68, 18-12-1843.
  19. Zie noot 2.
  20. Nationaal Archief Den Haag. Toegang 2.02.09.04 Register van pensioenen. Inv. nrs. 48, 49, 54 en 55.
  21. www.kb.nl Overijsselsche Courant 31-07-1838, nr. 61.
  22. http://members.home.nl/m.v.boven/ zie onder “toelichting” en onder “Almelo”. Tevens is door de samensteller van de website, M.W. van Boven, per mail informatie verstrekt.
  23. Zie noot 2.
  24. www.kb.nl Nederlandsche Staatscourant 18-09-1838, nr. 221.
  25. www.kb.nl Nieuwe Rotterdamsche courant: staats-, handels-, nieuws- en advertentieblad, 06-06-1849 nr. 134.
  26. Bibliotheek Historisch Centrum Overijssel, Zwolle. In de matrikels van de universiteiten van Leiden, Groningen, Utrecht, Amsterdam, Harderwijk, Franeker en Zutphen komt tussen 1795 – 1801 de naam Lantman niet voor.
  27. Utrechts archief. Toegang 34-4 Notarissen in de stad Utrecht 1560-1905. Notaris Van Dam, 02-08-1811, nr. 185.
  28. Gemeentearchief Borne. Archief Richterambt Borne, inv. nr. 3, pag. 298-300.
  29. Gemeentearchief Borne. Archief Richterambt Borne, inv. nr. 5, pag. 81.
  30. Gemeentearchief Borne. Archief Richterambt Borne, inv. nr. 5, pag. 90-91.
  31. Gemeentearchief Borne. Archief Richterambt Borne, inv. nr. 5, pag. 85-86.
  32. Gemeentearchief Borne. Archief Richterambt Borne, Inv. nr. 5, pag. 397-399.
  33. Gemeentearchief Enschede. Archief notaris G. Pennink, inv. nr. 1040, volgnr. 79.
  34. Gemeentearchief Enschede. Archief notaris G. Pennink, inv. nr. 1041, volgnr. 16.
  35. Gemeentearchief Enschede. Archief notaris G. Pennink, inv. nr. 1049,volgnr. 30.
  36. Gemeentearchief Enschede. Archief notaris G Pennink, inv. nr. 1049, volgnr. 32.
  37. Gemeentearchief Enschede. Archief notaris G Pennink, inv. nr. 1049, volgnr. 31.
  38. Gemeentearchief Enschede. Archief notaris G. Pennink, inv. nr. 1073, volgnrs. 42 en 50.
  39. Gemeentearchief Borne. Kadastrale legger gemeente Borne, artikel 614.
  40. Oald Hengel nr. 4, 1980 Het einde van het Sladenhuis of Weerinkhof, dr. H. Reynders.
  41. Gemeentearchief Hengelo. Kadastrale legger gemeente Hengelo nr. 244.
  42. www.watwaswaar.nl Gemeente Weerselo, sectie K nr. 382.
  43. Nationaal Archief Den Haag. Toegang 1.01.19 Officierenaanstellingen Raad van State, inv. nr. 1540, folio 159v.
  44. Iconographica Batava, deel 2, door E.W. Moes 1905. Zie beschrijving onder nr. 4373.
  45. In verband met privacyoverwegingen worden de familienaam en adresgegevens niet genoemd. Deze zijn bij auteurs bekend.

(–> naar PDF-versie van deze publicatie)

(–> naar Inhoudsopgave 2012-03)

(–> naar Boorn & Boerschop pagina)