Boorn & Boerschop 2010-03: Een onverwachte ontmoeting

Auteur: Gé Nijkamp

Ik houd van die melancholieke herfst met z’n sombere, donkere avonden, wanneer mistflarden uit het niets lijken aan te komen drijven. Eerst licht en ijl, maar allengs wordt de nevel dichter en geslotener, tot de straatlantaarns pas vreemd oplichten in de grijze brij als we ze bijna genaderd zijn. Het lijkt dan ook of alle geluid wordt opgenomen in de gesloten massa, zo stil wordt het op straat. Voor ik me ten ruste begeef, wil ik dan nog graag even rond middernacht buitenshuis gaan om van deze wonderlijke kleine wereld te genieten. Niet ver van het vertrouwde, want alles lijkt zo anders en vreemd.

Tijdens zo’n korte rondgang is het ooit gebeurd dat, toen ik bijna weer op het punt van uitgang teruggekeerd was en licht huiverend door de kilte, me haastte binnen de besloten warmte te komen, ’n lichte windzucht de gesloten wade voor me wat uiteendreef en ik tussen de mistflarden die zich al weer wilden sluiten – een figuur ontwaarde. In het weinige licht van de daar aan de Ennekerdijk staande straatlantaarn, zag ik tot m’n verwondering dat het Jacobus J. Craandijk (1834-1912) was, ooit voorganger in de Mennisten vermaning, de Doopsgezinde kerk die sinds 1824 op de plek naast ons huis in Borne staat. Zijn vergeelde portret hangt in de consistoriekamer tussen de rij confraters die hier ooit de dienst hebben geleid in het gebouw, dat ik als m’n beste buur beschouw.
Terwijl hij zich weifelend op enige afstand in de mist bevond, prees ik dit moment op de grens van avond en nacht waarop ik zo’n bijzondere persoon bij toeval tegenkwam.

Afb. 01: Afbeelding van Jacobus Craandijk uit Eigen Haard

Dominee, maar naast zijn pastorale taak meer bekend als hoofdredacteur van het geïllustreerde weekblad Eigen Haard en de schrijver van de in 1874 in acht delen verschenen Wandelingen door Nederland met pen en potlood, die hij met de tekenaar Piet Schipperus maakte.

Laten we de beide vrienden eens volgen op hun zwerftocht door deze omgeving en zien hoe alles sindsdien veranderd is. We beginnen onze tocht als ze de stad en het Huis Almelo achter zich hebben gelaten en een gezellige herberg ontdekken:

Tussen weiden en velden verder gaand, door boschjes begrensd, hier en daar door kloeke stammen of schilderachtige boomgroepen overschaduwd, leidt ons deze tusschen bospartijen en langs slingerpaden van een’ nieuwen aanleg, die nog wat tijd noodig heeft om aantrekkelijk te worden. Maar ook in de nabijheid van hooge prachtige dennen, leidt de laan naar een veelbezocht uitspanningsoord, van ouds als ‘het Jagertje’ bekend en bij jong en oud in Almelo geliefd.

Als wij ons onder de nette veranda wat hebben verkwikt, brengen wij een bezoek aan het wilde dennenbosch met zijn slanke stammen en bemoste paden, in wier midden de eenvoudige grafkelder ligt verscholen, door de familie van Rechteren tot de rustplaats van haar dooden bestemd. En wij dwalen wat rond door het bosch rond ‘het Jagertje’, tusschen het hooge hakhout, waarboven hier en daar een forsche beuk of eik zijn brede takken uitslaat en dat aan de beplante cingels met hun weelderig begroeiden grond en hun verder steile, met mos bedekte kanten een eigenaardig voorkomen ontleent.

Bij ‘het Jagertje’ is de grote laan tegenover het Huis nog niet ten einde. Nog ver strekt zij zich uit, terwijl de beuken het eikenhout vervangen, en volgden wij haar, tot waar zij uitloopt in de heide. Dan zou zij ons brengen op den weg naar Albergen, een landelijk gehucht, in welks nabijheid eens een wijdvermaard klooster heeft gebloeid.

Daar zouden wij een’ grindweg naar Ootmarsum vinden – maar wij kunnen ditmaal onzen togt niet tot dat aloude stadje, met haar bekoorlijke omstreken en de schoone vergezigten van haar golvende heuvels, uitstrekken. Wij moeten ook, aan de andere zijde van Almelo, het Vriezenveen onbezocht laten, evenals de rijke villa’s en buitenverblijven aan den weg die derwaarts leidt.

Zij zouden anders de moeite van een uitstapje wel beloonen, zoowel de villa door den Heer van Almelo gebouwd en bewoond, terwijl de gravin douairière haar verblijf houdt op het kasteel, als de landhuizen, gesticht door Vriezenveensche kooplieden, die naar oud gebruik, een geruimen tijd in St. Petersburg woonden.
Maar wij zullen nog wel meer plekjes moeten laten liggen, die door natuurschoon of door herinneringen aantrekkelijk zijn voor wandelaar of geschiedvorser beiden!

Vreesde ik niet van uw geduld teveel te vergen, ik zou u in de nabijheid van Ootmarsum de velden wijzen, waar niet ver van elkander, Romeinen en Germanen in hun haast nog ongeroerde grafheuvels slapen.

Ik zou u, tusschen Ootmarsum en Oldenzaal, naar den raadselachtigen Hunenborg leiden, waaraan zich de overlevering verbindt, dat een heidensch keizer er zijn verblijf heeft gehouden en die welligt een overblijfsel is van een versterking, door den keizer Postumus, omstreeks 260 n. C. tegen de woeste en dreigende Germanen opgeworpen.

Ik zou u uitnoodigen, in de heidevelden den loop dier zonderlinge aarden wallen na te sporen, die, onder den naam landweren, gansch Twenthe doorkruisen, en die sommigen voor verdedigingsmiddelen houden; anderen, voor scheidingen der Saksische marken, en die onlangs door een’ uitnemend kenner der Twentsche oudheden, den baron B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis, werden voorgesteld als door de Romeinen geboden en door de Germanen opgeworpen, om de grenzen der onderscheidene volksstammen aan te wijzen.
Of wel, ik zou u leiden naar het stille Weerselo, dat daar zoo rustig ligt te droomen te midden van zijn eikenlanen, met zijn huizen, gelegerd om het oude kerkje, dat in zijn wijdsche grafzerken nog de herinnering bewaart aan een hoog adelijk jufferenstift, en waar wij, buiten een der heerenhuizen, enen overoude doopvont zouden vinden, in dit huis een merkwaardige eikenhouten kast en een zware deur met een menschenhoofd, dat, minder beschaafd dan veelbeteekenend, een tong uitsteekt. Kast en deur zijn afkomstig van het sterke, thans gesloopte Slot Saesveld, en de deur stond daar naar de zijde van Oldenzaal gekeerd, als een voortdurende beschimping van de stad, waarmede de Heeren van Saesveld in aanhoudende vete leefden.

Ik zou u voeren naar de plaats, waar eens het geduchte roofnest stond, te midden van haast ontoegankelijke moerassen, en wij zouden, neergezeten aan de slotgracht, ons door de overlevering laten verhalen, hoe op dit kasteel een geslacht van magtige edelen, door de graven van Goor gesteund, den strijd tegen den bisschop volhield, toen Balderik, op den bisschoppelijken zetel verheven, zijn erfgraafschap Twenthe met zijn hoofdstad Oldenzaal aan St. Maarten schonk.

Wij zouden ons laten vertellen, hoe een der drosten van Twenthe op dit – zijn slot – geroofde mannen en vrouwen gekerkerd hield, totdat hun bloedverwanten hen met zware losprijzen van den gedreigden dood hadden vrijgekocht.
En wij zouden een woord van hulde niet onthouden aan de nagedachtenis van Johan Derk van der Capellen, die in 1782 althans de afschaffing der vernederende en bezwarende drostendiensten wist door te drijven.

Wij zouden niet ver van Weerselo welligt de plek nog kunnen vinden, waar menigte van meer en minder bewerkte vuursteenen ons wijst op een overoude werkplaats, waar de wapens van een langverdwenen voorgeslacht geslepen werden, en rondom, in de eenzame heide, zouden wij de grafheuvelen als kleine hoogten zien verspreid.

Wij zouden, tusschen Weerselo en Borne, het woeste maar wonderschoone landschap zien, bij het meertje met den glooijenden heuvel, op wiens top een houten molen zich zoo scherp afteekent tegen de heldere avondlucht, terwijl de dalende zon de bruine heide, met de diepe zich kruisende zandsporen, purper kleurt, terwijl het gloeijend rood van den hevel weerspiegelt in den onbeweeglijken plas, en ver op den achtergrond de hooge bosschen van Saesveld die zich reeds in grijze nevelen hullen.

Ik zou u vertellen, als gij ’t hooren wildet, hoe lief mij die plegtige heidevelden zijn, die ik zoo menigmaal mogt doorkruisen, te voet en te paard, op den stillen zomeravond, op den helderen najaarsdag, ook als de stormen gierden over de vlakten en donkere wolkgevaarten vlogen door de lucht. Maar vermoedelijk boezemt u dat geen belang in.

Welnu, laat ons dan niet langer spreken van wat wij zouden kunnen en willen doen; laat ons doen wat wij kunnen. En dat is voor het oogenblik, van ’t het Jagertje’ opstappen, om over Borne Hengelo weer te bereiken.

Dan realiseren wij ons pas (in 2010) dat de opgesomde waarnemingen die Craandijk noemt – terwijl de heren genieten van een frisse versnapering op een terras aan de Gravendijk bij Almelo – slechts mogelijkheden voor een bezoek waren.

Toch volgen wij de schrijver en zijn metgezel de tekenaar graag verder op hun tocht door de lage landen, zo’n anderhalve eeuw geleden en verwonderen ons over de beschrijving van onze streek als ze vanuit Almelo het dorp Zenderen naderen, waar aan de Aselerbeek bij de ‘Kooknbrug’ tegenwoordig een groothandel in schoeisel gevestigd is, maar waar toen – en nog tot in onze kinderjaren – de zwart geteerde turfschuren van de kastelein Haarhuis stonden:

Afb. 02: De uitspanning ‘het Jagertje’ rond 1900

Wij stappen bij de uitspanning ‘het Jagertje’ op en keeren niet naar Almelo terug, maar zoeken het zandspoor, dat ons, behoorlijk slingerend en kronkelend, naar den breeden Bornschen straatweg brengt. Dien volgen wij evenwel niet tot Borne toe. Een weinig voorbij deze dennenbosschen en dezen hoogen kamp bouwland, een weinig voorbij de kunstelooze loodsen, waar de turf is opgestapeld die hier uit de omliggende veenen is aangevoerd, om verder per as naar de plaats harer bestemming te worden gebragt, – als wij de huizen achter ons hebben, die het middelpunt der buurschap Zenderen uitmaken, – slaan wij een zijweg in, naast het voormalig buitenverblijf ‘het Hulscher’, tegenwoordig een klooster van geschoeide Karmelieten.
Die weg leidt ons, langs bouwland en houtgewas, naar de plaats waar eens het groote Huis Weleveld in zijn dubbele grachten lag. Eertijds een sterk kasteel, de zetel van een magtig geslacht, uit de Heeren van Ruinen gesproten, dat in 1437 gansch Twente in pandschap had en sints meer dan één drost van Twenthe onder zijn leden telde. Later de woonplaats van den beroemden staatsman en geleerde Radboud Herman Scheele, die als wetenschappelijk gevormd krijgsman den groothertog van Toscane heeft gediend en in 1651 de Staten van Overijssel op de groote Vergadering in den Haag waardiglijk heeft vertegenwoordigd. In het begin dezer eeuw werd Weleveld gesloopt, en voor eenige jaren zijn de zware fundamenten en de uitgestrekte kelders uitgegraven.
Verdwenen is ook een ander adelijk huis, het Groothuis; één der beiden van dien naam in deze streek. Niet ver van het Weleveld, aan wiens eigenaars het tot tot 1724 behoorde, komen wij de weide voorbij, die nog aan haar omringende gracht herkenbaar is als de plaats waar eene ter talrijke Twenthsche havezathen stond.

En zijn wij nu, langs de groote, welvarende boerenerven, met hun’ schat van kostbaar eikenhout, op de ruime vlakte gekomen, dan zien wij Borne voor ons en hebben wij spoedig dat echt Twenthsche dorp bereikt.

Een echt Twenthsch dorp is Borne nog in menig opzigt althans, al bragt ook hier de laatste halve eeuw belangrijke verandering. Aan nieuwe huizen ontbreekt het geenszins, evenmin als aan spoorwegstation of fabrieksschoonsteenen. Maar in zóóver heeft het zijn oud karakter bewaard, dat het nog altijd een doolhof is van enge, kronkelende straten, en dat er nog in overvloed die oude, groote, voorvaderlijke huizen worden gevonden, zonder orde en regelmaat als neêrgeregend, doorgaans afgezonderd op hun erven staande.
En nog altijd ligt daar, onder zijn groote eiken, de oude ‘Meijershof’, waaraan weleer onderscheidene huizen en erven in allerlei vormen zekere recognitie verschuldigd waren. De kerk der Doopsgezinden b.v. moest aan den ‘hofmeijer’ jaarlijks twee jonge hanen opbrengen, zóó groot, dat zij op een’ emmer konden springen.

Maar de vreemdeling ziet doorgaans dit gedeelte van het dorp niet. Hij bepaalt zich wel in den regel bij de lange hoofdstraat, bij het marktplein en de laan met wilgen en lariksen, die de markt met breede straat aan het begin – of het einde – naar den kant van Hengelo verbindt. Wie zich het oude Borne wil voorstellen, moet die laan wegdenken die nu aan het dorp eenige regelmatigheid geeft, want die dagteekent eerst van den aanleg van den straatweg, omstreeks 1830.
En tooit hij dan in zijn verbeelding het marktplein met de eerwaardige linde, die den grooten steen overschaduwt; verwisselt hij de keijen voor een grasveld, van een’ smallen waterloop doorsneden; verwijdert hij de moderne gebouwen om ze te vervangen door huizen van het oude model; strooit hij alom de beruchte mesthopen bij de hooge schuurdeuren en volgt hij den ouden rijweg die zich in allerlei bogten tusschen de verstrooide woningen, erven en hoven wringt, dan verrijst weer voor zijn’ geest het Twenthsche dorp, gelijk het ruim vier eeuwen welligt in de hoofdzaak onveranderd is gebleven, gelijk het misschien – al was ’t dan ook kleiner en onaanzienlijker – reeds in 1206 vertoonde, toen het nog Burgunde werd genoemd.

In de kerk der Hervormden, wier sierlijke torenspits een der schoonsten van het in dit opzigt niet rijke Twentherland is, ligt Radboud Herman Scheele begraven, en opmerkelijk is er de groote preêkstoel van Bentheimer steen, die volgens de overlevering, bij monde van een’ daarin verborgen Dominicaner monnik, zijn zonden heeft beleden toen de Munsterschen in 1672 ook van Borne meester waren.

In de nabijheid van het spoorwegstation ligt eene ijzergieterij en de stoomfabriek ‘Sofia, koningin der Nederlanden’, die deels tot spinnerij, deels tot weverij van verschillende linnen en katoenen manufacturen is ingerigt, terwijl nog eene enkele damastweverij te Borne van dezen indertijd belangrijken tak van nijverheid is overgebleven. Zij werkt met 32 jacquardmachines.

De groote weg van Borne naar Delden loopt langs de beide stoomfabrieken, een breede dennenlaan, voor een goed deel door de heide voerend……

We maken een sprong van anderhalve eeuw verder en belanden weer in het heden, op die mistige herfstavond toen onverwacht Jacobus Craandijk ons pad kruiste.
Ook nu leek hij met een tocht te voet bezig te zijn, want in het zeer gedempte schijnsel zag ik hem aarzelend rond turen, net of hij de weg enigszins kwijt was. Dat was ook niet vreemd onder deze mistige omstandigheden en bovendien is er in de jaren nadat hij in 1862 na een driejarig verblijf uit ons dorp naar Rotterdam vertrok om daar zijn ambt voort te zetten, veel veranderd.

Afb. 03: Dominee Craandijk in de avondmist. Tekening van J.B.F. Leuverink

Aarzelend begaf ik me in zijn richting om hem – zover dat mogelijk was – in de goede richting te helpen. Maar ook hij had zich in beweging gezet en gejaagd was hij ineens in de mist die hem meteen omsloot, verdwenen. Ik haastte me in de richting waarin ik meende zijn voetstappen te horen verdwijnen. Toen ik zelf twijfelde en even stil bleef staan om te
heroriënteren, was het vreemd stil geworden; alleen de nachtwind speelde wat met de witte sluiers mist. Gehaast en ook wat geschokt heb ik tastend de woonstee bereikt en getracht met een ferme Bornse kruidenbitter het normale leven te hervatten.

Maar één ding staat voor me vast: ik ga nooit weer in de nacht én in de mist buitenshuis; ik voel me veiliger achter het glas, en het maakt me niet uit of dit een venster- of een gevuld glas is……

Borne 2010

Afb. 04: Borne gezien van de Oonksweg richting het spoor. Nu nog een ongerept stukje land maar de tekenen wijzen uit: hoe lang nog?

(–> naar PDF-versie van deze publicatie)

(–> naar Inhoudsopgave 2010-03)

(–> naar Boorn & Boerschop pagina)