Boorn & Boerschop 2007-02: VERDWENEN MOLENS -1-

Auteur: Anja Tanke

Dit jaar is uitgeroepen tot molenjaar omdat 600 jaar geleden, in 1407, in Alkmaar de eerste poldermolen werd gebouwd. Een mooi moment om aandacht te schenken aan de windmolens die vroeger in onze gemeente stonden. In deze Boorn en Boerschop kunt u lezen over de molens van Bornerbroek en Zenderen. In de volgende aflevering over de molen van IJzereef en de molen van Velthof beide in Borne.

Soorten molens

Molens werden niet alleen ingezet bij het droogmalen van meren en bij de regulering van de waterhuishouding in ons land, zij speelden ook eeuwenlang een belangrijke rol bij de industriële ontwikkeling. Zo werden ze onder meer gebruikt voor het malen van graan, het zagen van hout, het slaan van olie uit zaden en het maken van papier. In Borne stonden, naast windmolens voor het malen van graan, onder andere cichoreimolens en een houtzaagmolen.

Het ambacht molenaar

Het malen van graan was een ambachtelijke activiteit. Het vereiste vaardigheden die de korenmolenaar verwierf door jarenlange oefening in de praktijk. In vele gevallen ging het bedrijf over op de zoon van de molenaar, die tevens als leermeester optrad. Nederland kende talrijke geslachten waarin het ambacht van korenmolenaar werd voortgezet, soms tot ver in de twintigste eeuw. De molen was gepacht of eigen bezit, soms samen met een compagnon. Het bedrijf was een typisch kleinbedrijf. De molenaar werd bijgestaan door één of enkele knechts. Stond hij er alleen voor, dan werkte zijn vrouw mee. Het kleinbedrijf maakte een verregaande opsplitsing van taken niet mogelijk. De molenaar vervulde naast het malen van graan vele andere taken. Zo behoorde ook het onderhoud van de molen tot zijn werk. Kortom, hij behoorde vaardig te zijn in houtbewerking. Hamers, beitels, een zaag, een fijne houtvijl, een duimstok en enkele andere gereedschappen vond men dan ook op iedere molen. Hij deed de dingen zoveel mogelijk zelf. Alleen voor het grote herstelwerk werd de molenmaker ingeschakeld.

De molenaar haalde zijn inkomsten uit het maalloon. De hoogte daarvan verschilde van plaats tot plaats en werd soms in geld soms in natura, meestal in een percentage van het vermalen graan uitgedrukt. Het maalloon voor de molen van Velthof bedroeg rond 1897 35 cent per muddezak van 70 kilo; lijnmeel was verpakt in zakken van 50 kilo.

De molen in Zenderen

In 1899 werd aan molenaar B. ten Heggeler uit Hengelo vergunning verleend voor het oprichten van een windkorenmolen in een perceel te Zenderen aan de rijksweg van Borne naar Almelo. Onderdelen van de nieuw te bouwen molen waren afkomstig van de molen van Weggeman uit Hengelo. Ten Heggeler liet een achtkantige beltmolen bouwen.

Afb. 01: De Zenderense molen in de jaren twintig

Van de molen is het volgende bekend:
Plaats: Borne
Buurtschap: Zenderen
Ligging: Hoofdstraat
Dienst: korenmolen
Type: beltmolen
Gebouwd: 1899
Belthoogte: 2.6 m
Romp: achtkantig
Kap: hout, met riet gedekt
Wiekvorm: gestroomlijnd
Vlucht: 19.5 m
Aandrijving: 1899-1901 wind
Verdiepingen: 4
Begane grond: hoogte 2.6 m
diameter 7.75 x 7,50 m

De zaken gingen niet goed en een jaar later werd in de Twentsche Courant geadverteerd: op woensdag den 19 september 1900…. ten huize van den kastelein Haarhuis te Zenderen, krachtens onherroepelijk volmacht, in het openbaar verkoopen: een in 1899 nieuw opgebouwde windkorenmolen, met open terrein, groot 15 aren, 50 centiaren, zeer gunstig gelegen te Zenderen aan den straatweg Almelo-Borne. Winkelier Gerhardus Johannes Winkelman uit Zenderen werd de nieuwe eigenaar voor een bedrag van f 4.025,–.

De molen werd zeer waarschijnlijk beheerd door Hendrikus Lambertus Johannes Winkelman, de enige zoon. In 1901 verleende het Bornse college aan H. Winkelman een vergunning voor een in steen opgetrokken machinekamer. Deze zal gebouwd worden tegen de bestaande molen. In de machinekamer werd een petroleummotor geplaatst van 12 pk voor het in beweging brengen van een maalsteen middels drijfriemen.

Afb. 02: Bij de vergunningaanvraag voegde Winkelman deze situatietekening

Hendrikus Winkelman overleed op 8 december 1922. In het kadaster wordt vermeld dat rond 1923 de molen, pakhuis, erf en schuur eigendom waren van koffiehuishoudster Geertruida Maria Winkelman, een zus van Hendrikus. In 1925 heeft zij de molen verkocht aan de Almelosche Coöperatieve Landbouwersbank en Handelsvereeniging.

Vanaf 1930 werd uitsluitend nog machinaal gemalen. Toen wilde men de wieken al verwijderen maar door tussenkomst van de Vereniging de Hollandsche Molen werden pogingen gedaan de molen in bedrijf te houden. In een interview met de directeur Have uit 1934 wordt de toestand van de molen duidelijk: Als de wieken nog stevig vast zitten en nog niet zoo verrot zijn, dat we de kans loopen, dat ze bij de eerste de beste storm naar beneden komen, laten we ze nog zitten.
Niet veel later is de molen verbouwd tot pakhuis. Mevrouw Van Harten schreef in één van haar uitgaven dat overgebleven gebouwen in 1973 zijn verkocht aan G.J.H. Middelkamp. De molenstenen zijn daarna gebruikt bij de restauratie van de molen in Saasveld.

De Broekmolen in Bornerbroek

Op 19 december 1798 vroegen ingezetenen van Bornerbroek aan de Representanten van het Volk toestemming voor het bouwen van een korenmolen. De ingezetenen gaven als toelichting: dat zij wel twee uren verre hun koorn en zaad ter moole om te maalen moeten brengen, en dat bij hoog water tenminste zeer velen niet eens daar naar toe kunnen komen. Aan Jannes Bakhuis werd toestemming verleend de molen te bouwen onder de voorwaarde dat binnen één jaar op de molen gemalen kon worden. In 1799 werd Berend Bolscher voor de helft eigenaar. Hij vroeg een lening van f 2.000,– aan bij het Departement van den Ouden IJssel met als onderpand de helft van de molen en het bouw- en erfrecht van het erve Bolscher. Hij nam tevens de toestemming over van Bakhuis voor het bouwen van de molen. Het andere halve eigendom berustte bij Berend Jan ter Hofste.

Afb. 03: De Broekmolen op de belt

Ter Hofste liet de molen bouwen door Herman Bos. Het werd een houten zeskantige bovenkruier, gedekt met riet met twee 16 en 17 tiender maalstenen. De samenwerking was geen lang leven beschoren want op 11 oktober 1799 klaagde Bos voor de Bornse richter ter Hofste aan omdat hij (Bos) te weinig loon ontvangen zou hebben. Hij verdiende zomers 18 stuivers per dag, maar minder toen de dagen korter werden. Ter Hofste verweerde zich door aan te geven dat hij bekwaam genoeg was om een behoorlijke rekening te maken, en dat had hij dan ook gedaan. De zaak werd uiteindelijk in der minne geschikt middels een navordering van loon en het leveren van sterke drank, in totaal een bedrag van f 232,–.

Aan het eind van 1799 verkochten Berent Jan ter Hofste en zijn vrouw Jenneken Averink hun halve eigendom van de in aanbouw zijnde korenmolen aan Frans Horstink. In 1801 kocht hij de andere helft van Berend Bolscher voor een bedrag van f 3.300,–. Horstink sloot in 1808 een lening af van f 3.100,– bij Jan Arkink met als onderpand de molen op het Bornerbroek en bijstaand huis. Op 26 april 1816 passeerde voor notaris Jan Hendrik Warnaars te Almelo een overeenkomst tot lening ter hoogte van f 2.800,– tussen Frans Horstink en Arkink. De rente bedroeg 5% te betalen op 1 mei van ieder jaar. Als onderpand voor de lening dienden een koorn- en pelwindmolen met molenhuisje en de grond bij de molen, voorzover die reeds van het gemene veld opgesmeten is of nog opgesmeten zullen worden.

Op 5 juli 1816 diende een rechtzaak in Almelo omdat de molen gebouwd was op markegrond. De zaak was aangespannen door Rudolf Floris Karel baron Bentink tot Schoonheten als erfmarkerichter van Zenderen en Bornerbroek. Frans Horstink, bouwman te Goor, werd veroordeeld tot het betalen van in totaal f 437, 12.

Afb. 04: In 1832 werd in het kadaster Jan Arkink vermeld als eigenaar van molen, huis en erf

Sectie G nr.: Afmetingen in aren (10 m2):
381 hooiland 48,20
382 muldershuis en erf 3,10
383 grasgrond 7,70
384 molen en erf 1,16
385 bouwland 14,10

De inschrijving in het kadaster bleek niet juist en in 1847 bij de verkoop werd dan ook gemeld: Jan Arkink, te wiens naam deze goederen abusievelijk kadastraal bekend zijn, en geen bewijzen van eigendom, titels van aankomst, noch hypothecaire overschrijvingen kunnen worden opgegeven. Aangenomen wordt dat de molen na het overlijden van Frans Horstink in 1829 vanwege de hypotheekschuld is overgegaan naar Jan Arkink.

In 1847 zijn Jan Arkink en zijn vrouw overleden. De molen wordt dan eigendom van de zoon Gerrit Jan Arkink en zijn vrouw Berendina Wissink. Op 3 april 1847 passeerde voor notaris Wilmink in Borne de verkoopakte. De nieuwe eigenaar was Lambertus Mentink, molenaarsknecht uit Vaassen. Het verkoopbedrag bedroeg f 4.000,–. Van het aankoopbedrag werd f 1.000,– betaald voor 1 november en de overige f 3.000,– werd in lening verstrekt tegen 4% rente per jaar, te betalen jaarlijks op 1 november.

Mentink is maar kort eigenaar geweest. Op 11 januari 1851 werd geadverteerd in de Twentsche Courant: uit de hand te koop een welbeklante windkorenpelmolen met huis, bakkerij, gras- en heidegrond, tezamen groot 5 bunder bij L. Mentink te Bornerbroek. Hij verkocht de molen voor een bedrag van f 3.700,– aan Gradus Jozephus Hofland, bakker in Tubbergen. Hofland was getrouwd met Maria Arkink, dochter van Gerrit Jan Arkink en Berendina Wissink. Op 26 mei 1851 passeerde de akte van verkoop bij notaris Wilmink.

Het gezin Hofland ging niet bij de molen wonen. In december 1851 kwam Joannes Tijink er als molenaar. Zijn vrouw Janna Rijns werd in het bevolkingsregister ingeschreven als landbouwster en veehoudster. In 1894 blijkt zoon Hermannes zijn vader opgevolgd te zijn. Hij kocht dat jaar de molen van Johannes Marinus Hofland, bakker in Tubbergen.

In 1906 werd aan Tijink door het college van burgemeester en wethouders van Borne een vergunning verleend voor het plaatsen van een petroleummotor van 12 pk ten behoeve van het drijven van een maalinrigting. Deze motor met maalderij stonden niet in de molen maar in een apart gebouwtje.
Hermans dochter Gesina Maria trouwde in 1920 met Gerhardus Franciscus Braakhuis.
Samen zetten zij het bedrijf voort.

Afb. 05: Bovenaanzicht van de te bouwen maalinrigting

Sectie G nr.: Afmetingen in aren (10 m2):
381 hooiland: 48,20
382 muldershuis en erf: 3,10
383 grasgrond: 7,70
384 molen en erf: 1,16
385 bouwland: 14,10

Redelijkerwijs mag verondersteld worden dat de molen steeds minder gebruikt en onderhouden werd. Rond 1930 zijn de wieken verwijderd en in 1956 volgde volledige afbraak.

Anja Tanke.

(–> naar PDF-versie van deze publicatie)

(–> naar Inhoudsopgave 2007-02)

(–> naar Boorn & Boerschop pagina)