Boorn & Boerschop 2005-01: UIT DE FAMILIEKRONIEK WOOLDERINK (slot)

Auteur: H.A.M. Woolderink

Nadere algemene voor Twente belangrijke gegevens uit de familiekroniek van Woolderink worden in deze artikelenserie behandeld. Een emigrant wordt besproken.

De emigrant

We besluiten deze serie met de enige echte emigrant in de familie Woolderink. Dat is Bernardus Hendrikus Woolderink, geboren te Borne op 13 april 1890. Zijn vader, Jan Hendrik Woolderink, is afkomstig van het erve Nollen (Nijhuis) in de Huurne bij Wierden en is in 1887 gehuwd met de uit Enschede afkomstige, niet onbemiddelde, schoenmakersdochter Elisabeth Euphemia Kemper. Zij vestigen zich in Borne aan de huidige Grotestraat alwaar ze een woning kopen. Dit is het latere geboortehuis van Bernard Woolderink. In een aangebouwde werkplaats beoefent vader zijn beroep van wieldraaier (draaien van ijzeren voorwerpen). Als bijverdienste is er tevens een café-restaurant. Toch heeft hij met het café niet veel verdiend, want van hem is bekend dat hij zelf zijn beste klant was, dit tot groot verdriet van moeder.

Afb. 01: Café Groot Rouwen dat voordien door Bernard Wooldrink werd gedreven en waarvan hij zelf de beste klant was…

Eén maand na de geboorte van Bernard op 13 mei 1890 wordt besloten het voorbeeld van anderen te volgen en een kostwinning in Duitsland te zoeken. Over de grens wordt meer verdiend in de textielindustrie dan in Twente. Vader Jan komt in loondienst bij textielfabriek Wiesschenbrink, later Van Delden, in Ochtrup en wel als Schlosser, zeg maar onderhoudsmonteur. Het café in Borne wordt verhuurd en pas later verkocht.
Ook in Ochtrup krijgt Jan problemen als hij bij zijn werkgever niet nuchter genoeg is om te werken. Zo wordt hij eens ontslagen, maar dankzij smeekbeden van moeder Elisabeth, weer in genade aangenomen.

Als Bernard en zijn oudere broer Willem oud genoeg zijn moeten ze helpen de kost te verdienen in de textiel of de mijnbouw. Hun jongere zusje Hendrika gaat als meisje van 17 jaar als dienstmeisje werken in Osnabrück en één jaar later in Herne in het Ruhrgebied.
In de 1e wereldoorlog breekt in Duitsland een slechte tijd aan en het gezin Woolderink besluit terug te gaan naar Nederland. Ze vestigen zich in Wierden in een huis over het spoor bij de Molenbelt. Dit huis is eigendom van een broer van Jan Hendrik, n.l. Hendrikus Johannes Woolderink. Op deze plek wonen ook nu nog Woolderinks.

Als kind verslindt Bernard boeken van Karl May en de Nieuwe Wereld lokt hem meer dan werken in de textiel of de mijnbouw. Uit Amerikaanse administratie is bekend dat hij in 1909 vanuit Heidelberg naar Amerika is gegaan. Hij heeft daar een bestaan als treinmachinist opgebouwd op de intercontinentale spoorlijnverbindingen. Hij verkrijgt het Amerikaanse staatsburgerschap. Dit heeft tot gevolg dat hij in 1917 wordt opgeroepen voor het leger en met Compagnie C 26 van het Engineers Corps naar het strijdtoneel in Frankrijk wordt uitgezonden. Hij brengt het tot de rang van korporaal. Anderhalf jaar later, op 18 april 1919, wordt hij gedemobiliseerd en neemt zijn beroep van treinmachinist weer op.

Uit bewaard gebleven correspondentie met zijn ouders blijkt dat hij hoofdzakelijk in hotels en pensions in San Francisco, Californië, heeft gewoond. Maar hij komt met de trein in grote delen van de V.S. blijkens post uit Eureka (Cal.), Wilmington (Cal.), San José (Cal.), Fort Bragg (Cal.), Chicago (Illinois). Louisville (Kentucky), Richmond (Kent.) en Westwood (Cal.). Hij blijft ongehuwd.
De correspondentie vanaf 1937 vindt plaats met zijn broer Willem die in 1937 trouwt in zijn geboortedorp Borne met Anna Liedenbaum. Zij wonen later op haar ouderhuis, het café Heidelberg aan de Bornerbroeksestraat. Van daaruit beheert Willem Woolderink ook het daarachter gelegen zwembad Heidelberg, thans nog naar hem ‘t Wooldrik genoemd.

De dood van zijn moeder in 1937 heeft Bernard erg aangegrepen. Zijn brieven uit 1939 zijn verward en in 1940 meldt het Mendocino State Hospital in Talmage (Cal.) dat Bernard is opgenomen op last van het Hoofdgerechtshof van San Francisco County op grond van geestesziekte. Desgevraagd deelt Willem mee wat hij over zijn broer kan vertellen: Mijn broer ging naar Amerika ongeveer 32 jaar geleden. Mijn broer was iemand die altijd spaarzaam was; echter geenszins gierig. Hij was arbeidzaam en leefde zeer geregeld. In zijn laatste brief schreef hij mij dat hij hoopte ons weer te zien. Hij sloot geen brief bij, doch enkel twee religieuze plaatjes waarvan hij op één een paar woorden had geschreven.
Ik veronderstel dat hij graag eens naar Holland wilde terugkomen en nu, met den oorlog, geen kans zag dit plan te volvoeren. Dat heeft hem mogelijk uit zijn evenwicht gebracht.

Ook is het mogelijk dat de nagedachtenis aan zijn moeder, die hij natuurlijk niet meer gezien heeft en die in 1937 kwam te overlijden, hem te sterk heeft aangegrepen. Dit temeer omdat hij absoluut geen souvenir had van zijn moeder. Nog bestaat de mogelijkheid dat de tegenwoordige kwaal een uitvloeisel is van zijn grote godsdienstzin, omdat hij altijd buitengewoon godsdienstig was en eigenlijk te vroom voor een man.

Na vijf jaar verpleging in het ziekenhuis, waarbij geen verbetering is opgetreden in zijn ernstige geestelijke gesteldheid, wordt hij in 1946 overgebracht naar het Veterans Hospital in Palo Alto (Cal.). Als oud-strijder in Frankrijk heeft hij recht op verzorging door de Veterans Administration. Vanwege zijn bizarre denkbeelden en abnormaal gedrag vindt de medische staf hem insane and incompetent en acht voortzetting van dwangverpleging noodzakelijk. Dat gebeurt vervolgens in het Veterans Administration Hospita! in Sheridan (Wyoming), waar hij tot zijn dood in 1973 blijft.

Daaraan voorafgaand is zijn lichamelijke toestand overigens goed en in periodes dat zijn geestelijke toestand het toelaat krijgt hij verlof om elders te wonen, b.v. in 1968 in The Soldiers and Sailors Home te Buffalo (Wyoming). In de zomer van 1973 bezocht Willem hem met zijn broer Eddie in het Hospita! in Sheridan. Daar vertelde de sociaal werker van Nederlandse afkomst Jacob Brouwer, die hem al vele jaren kende, dat Bernard soms in het voorjaar vertrok, de hele zomer rondzwierf door de wijde omgeving en in het najaar plotseling weer voor de deur stond.

Het overlijden van Bernard Woolderink wordt in 1973 gemeld door het Amerikaanse Consulaat te Amsterdam aan zijn jongste broer Johan Woolderink. Ook de erfenis wordt aan hem overgemaakt, waarbij we beslist niet moeten denken aan een steenrijke oom in Amerika. Naast vrije inwoning en verzorging in het Veteranen Hospita! kreeg hij van de Veterans Adrninistration een pensioentje van $ 39,37 per maand (toen ca fl. 100,00). Dit bedrag is nagenoeg geheel besteed aan kleding en andere persoonlijke zaken. De begrafenis van Bernard heeft plaatsgevonden met volledige militaire eer op Custer Battlefield in Montana, na Arlington de belangrijkste militaire begraafplaats in de V.S.

H.A.M. Woolderink.

Afb. 02:

(–> naar PDF-versie van deze publicatie)

(–> naar Inhoudsopgave 2005-01)

(–> naar Boorn & Boerschop pagina)