Boorn & Boerschop 2004-01: BORNE OORLOGSBUIT VAN DE BISSCHOP?

Auteur: F.J. van Capelleveen

Tot nu toe wordt bijna altijd en overal verkondigd dat de kerk van Beilen met die van Borne simpelweg werd geruild en dat dit door de Abdij van Ruinen werd geregeld. De schijn wordt gewekt dat de Heren van Ruinen de eigenaren waren, getuige het feit dat de gebroeders Otto, Johan en Berend van Ruinen naar Borne kwamen en zich vestigden op het Weleveld waar ze een “burcht” bouwden. Opgemerkt wordt dat uit gegevens in het archief van de Heerlijkheid Ruinen zou blijken dat pas in 1353 de Weleveld goederen formeel aan de Weleveld-tak zijn overgedragen (bron 1). In Twentse Post (Bron 2) lezen we dat er meer aan de hand geweest moet zijn in de daarvoor liggende tijd, zo rond het jaar 1139. Het lijkt er op dat Bisschop Dirk van der Aare in 1206 de “ruiling” organiseerde en de toenmalige beheerder der Ruinse goederen opdracht gaf deze zaak te regelen. Na deze inleiding is het misschien interessant te lezen wat er in “Twentse Post” over werd geschreven. We laten de tekst hier onverkort volgen:

Borne ontwikkelde zich in de onmiddellijke omgeving van de Hof te Borne, een bezitting van de bisschoppen van Utrecht waarin verschillende domeingoederen (erven, landerijen en woeste gronden) waren verenigd. In zijn “Verzamelde bijdragen tot de geschiedenis van Twente” oppert de historicus C.J. Snuif de mogelijkheid dat de Hof van Borne in 1206 door Dirk van der Aare, bisschop van Utrecht (1198-1212), is overgenomen van de Abdij van Ruinen (Drenthe) daar deze abdij en de heren van Ruinen uitgestrekte bezittingen hadden in Borne.

Een nadere kennismaking met de geschiedenis van Ruinen (Bron 3) doet nog andere vermoedens rijzen. Ruinen was een deel van het oude graafschap Drenthe. Otto van Ruinen wordt in een stuk van 1139, als eerste van zijn geslacht, vermeld als leenman van bisschop Andries (Andre­ as van Kuyk, 1128-1139), niet alleen in Ruinen maar ook in Borne, zoals later blijkt. Met Andries’ opvolger Harbert (Heribert van Bierum, 1139-1150) kreeg Otto grote moeilijkheden. Toen Harbert in 1139 zijn bisschopsambt aanvaardde, stuitte hij in Twente en in Groningen op ernstige tegenstanden. (Het aartsbisdom Utrecht omvatte toen naast Utrecht ook de Veluwe, de Achterhoek en het gebied van de huidige provincies Overijssel, Drenthe, Friesland en Groningen).

Afb. 01: Het vroegere bisdom Utrecht

De krachtdadige bisschop wist in de stad Groningen de Gelkingen (Een machtige familie en partij in de stad Groningen) weer aan zijn gezag te onderwerpen. En uit de buitengewoon strenge maatregelen die de bisschop neemt tegen Otto van Ruinen, kan worden afgeleid dat laatstgenoemde als Heer van Borne een ernstige misstap moet hebben begaan. Niet alleen heeft Harbert de kerken in Borne en Steenwijk van Otto van Ruinen afgenomen (Bron 4). Ook Otto’s rechten in de kerk van Ruinen werden zeer beperkt. Bovendien kwam er in Ruinen naast de heer op de “hof’ een tweede hoge machthebber resideren, de abt van ‘t klooster, een soort van geestelijk voogd, een toeziener op heer Otto en zijn nakomelingen.

Bij akte van 1141 – een stuk dat als een soort vredestraktaat beschouwd dient te worden – staat Otto van Ruinen een deel van zijn markegebied – n.l. alle wildernis westelijk van het dorp tot aan Meppel, d.i. de ganse Ruinerwold af aan de bisschop die het op zijn beurt aan het jonge klooster schonk (Bron 4). Het ligt zeer voor de hand dat in het kader van dezelfde gebeurtenissen, waarvan het ernstige karakter nog eens wordt onderstreept door de plaatsing zowel in Groningen als in Coevorden van twee bloedeigen broers van de bisschop als stadhouder (Bron 5), de Hof te Borne aan de abt van Ruinen is gekomen (broer Leffart te Coeverden; bron 6).

Een aannemelijke verklaring voor de harde maatregelen van bisschop Harbert tegen de Heer van Borne – Otto van Ruinen – zou kunnen zijn dat deze laatste een eigen politiek had gevoerd door samen te spannen met Bentheim. Otto van Bentheim, die Twente belaagde (Bron 7), was een volle broer van de Hollandse graaf, in wiens familietraditie aanvallen op Utrecht vanzelfsprekend waren.

Uit het bovenstaande lijkt te blijken dat Otto van Ruinen en zijn familie onder curatele zijn gesteld en dat de abt van het klooster door de bisschop als toezichthouder werd aangesteld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat enkele zonen uit dit geslacht hun heil elders zochten en naar onze streek kwamen. Ze hadden daar tenslotte bezittingen. Het dorp Borne heette vroeger Burgunde ofwel “Borg-op-het-einde”. Er moet toen al, als laatste in de serie verdedigbare nederzettingen in het Richterambt, een borg in het dorp hebben gestaan en wel in De Horst. Dit deel van het dorp zal niet tot de bezittingen der Ruinens behoord hebben, vandaar dat zij zich elders gingen vestigen.

Afb. 02:

Ze kozen als plaats van vestiging het gebied waar het huidige landgoed Weleveld ligt, een gebied dat volgens overlevering ooit Wolfsveld geheten zou hebben. De naam Wolfsveld kan zeker in de loop der tijd tot Weleveld zijn vervormd. Weleveld was in elk geval de naam die de zonen van Ruinen als familienaam kozen. Als we het familiewapen van de Van Welevelds bekijken, dan zien we daarin in de onderhelft drie rozen. Deze rozen verwijzen onmiskenbaar naar Ruinen, de plek waar deze Welevelds vandaan kwamen (het wapen van Ruinen bevat eveneens drie rozen). De bovenhelft van het wapen bevat een wolfskop die zou kunnen verwijzen naar Wolfsveld. Of een en ander een betrouwbare veronderstelling genoemd mag worden weten we niet. In elk geval is de aanwezigheid van de wolfskop in het familiewapen van Weleveld niet in tegenspraak met dit verhaal. Volgens Mw. Van Harten (bron 8) zou de bisschop van Utrecht door verschrijving de verandering van Wolfsveld naar Weleveld hebben veroorzaakt …

F.J. van Capelleveen.

Bronnen

  1. J.G.C. Joosting. Inventaris van het archief van de Heerlijkheid Ruinen, Leiden 1907, No. 63, regest 1.
  2. Twentse Post,jrg. 6, no. 9, 1967, 2-11.
  3. Dr. J. Naarding. Uit Ruinen’s verleden. Meppel 1962.
  4. Mr. G.J. ter Kuile, O.B.O I, 1963, regest 60.
  5. J. Bos e.a., Huizen van stand. Meppel/Amsterdam 1989, 86.
  6. Ir G. ter Braake. Drentse Havezaten. Meppel 1987, 65.
  7. J. Geerdink. Eenige bijdragen tot de geschiedenis van het Archidiaconaat en Artspriesterschap Twenthe. Vianen 1895, 404 (herdruk 1978, Smit Hengelo).
  8. M.G.E. van Harten-Fransen. Grepen uit de historie van Borne, deel I, Borne 1984, 16′ blad (van de niet genummerde pag’s).

(–> naar PDF-versie van deze publicatie)

(–> naar Inhoudsopgave 2004-01)

(–> naar Boorn & Boerschop pagina)